[D66] De vrolijke pessimist en de uitgestelde wanhoop
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Fri Jan 30 14:51:17 CET 2026
De vrolijke pessimist
Er is iets eigenaardigs aan de openlijke optimist in de politiek: hoe
harder hij verzekert dat het goed komt, hoe meer hij lijkt te verraden
dat hij daar zelf eigenlijk niet in gelooft. Bij Rob Jetten is dat
mechanisme bijna schoolvoorbeeldig. Zijn publieke persona is die van de
redelijke, opgewekte hervormer, de politicus die vooruit wil, die
gelooft in maakbaarheid, samenwerking en Europese oplossingen. Hij
spreekt in volzinnen die nooit dreigen te ontsporen, in toonhoogtes die
vertrouwen moeten wekken. Maar onder dat optimisme ligt een politiek die
structureel uitgaat van dreiging, schaarste, onvermijdelijkheid en
verval. Het is een politiek die niet gelooft dat burgers zichzelf kunnen
dragen, dat instituties zich organisch kunnen herstellen of dat
conflicten productief kunnen zijn. En precies daar, in dat spanningsveld
tussen opgevoerd optimisme en diep pessimistische aannames, ligt de kiem
van zijn mogelijke einde als politicus.
Het pessimisme van Jetten is geen emotioneel pessimisme, geen
melancholie of zwartgalligheid. Het is een systeempessimisme. Zijn
beleid vertrekt steeds vanuit het idee dat de wereld gevaarlijker wordt,
dat samenlevingen fragiel zijn, dat vrijheid voortdurend beschermd moet
worden tegen ontsporing, dat mensen geneigd zijn tot misbruik,
radicalisering of desinformatie als je ze te veel ruimte geeft. Het
optimisme zit in de verpakking, niet in de analyse. Die analyse is
donker. Rusland escaleert. China infiltreert. Burgers geloven te
makkelijk leugens. Demonstraties lopen uit de hand. Markten falen zonder
sturing. Klimaatdoelen worden niet gehaald zonder dwang. Democratie moet
worden “weerbaar” gemaakt, wat zelden iets anders betekent dan strakker
worden afgesteld.
Dat wereldbeeld leidt onvermijdelijk tot een politiek die inzet op
controle, op voorzorg, op macht die vóór alles wil voorkomen dat het
misgaat. Dat is geen politiek van vertrouwen, hoe vaak dat woord ook
valt, maar van preventief ingrijpen. En preventief ingrijpen is altijd
pessimistisch, omdat het uitgaat van de verwachting dat mensen,
processen en instituties het anders niet redden. Wie echt gelooft dat
een samenleving veerkrachtig is, hoeft haar niet permanent te
disciplineren. Wie echt optimistisch is over burgers, hoeft hen niet
voortdurend te monitoren, te corrigeren of te beschermen tegen zichzelf.
De paradox van Jetten is dat hij deze pessimistische kern niet als
zodanig erkent. Hij ziet zichzelf, en wordt door zijn omgeving gezien,
als de tegenpool van de cynicus. Maar cynisme en pessimisme zijn niet
hetzelfde. Cynisme is afstandelijk; pessimisme is controlerend. En juist
dat laatste zie je steeds sterker terug in zijn politieke lijn. Meer
bevoegdheden voor veiligheidsdiensten. Meer structurele
defensie-uitgaven. Meer regels om “misbruik” te voorkomen. Meer kaders,
meer toezicht, meer regie. Altijd met de geruststellende toevoeging dat
het zorgvuldig gebeurt, proportioneel, in balans. Maar balans
veronderstelt dat er twee krachten zijn. In Jettens politiek is er
eigenlijk maar één: de angst dat het anders uit de hand loopt.
Dit soort pessimisme is op korte termijn vaak succesvol. Het straalt
volwassenheid uit. Verantwoordelijkheid. Het klinkt alsof iemand “de
realiteit onder ogen ziet”. In een tijd van crises – klimaat, oorlog,
migratie, democratisch verval – is dat aantrekkelijk. Mensen willen
leiders die zeggen dat ze het aankunnen. Die moeilijke maatregelen niet
uit de weg gaan. Die bereid zijn impopulair te zijn. Jetten past perfect
in dat profiel. Hij oogt als iemand die begrijpt dat idealen moeten
worden aangepast aan de harde wereld. Dat naïviteit een luxe is die we
ons niet meer kunnen permitteren.
Maar hier begint de voorspelling. Politiek die structureel pessimistisch
is over mens en samenleving, put zichzelf uit. Ze kan alleen blijven
functioneren zolang de dreiging geloofwaardig blijft en zolang de
belofte van beheersing standhoudt. Op het moment dat blijkt dat controle
niet alles oplost, dat crises blijven bestaan ondanks alle voorzorg, of
dat de maatschappelijke schade van die controle zichtbaarder wordt,
slaat het optimisme om. Niet bij de kiezer alleen, maar bij de politicus
zelf.
Jetten beweegt zich richting een punt waarop hij niet langer kan geloven
in zijn eigen verhaal. Want hoe langer je politiek bedrijft vanuit de
aanname dat alles zonder jou erger wordt, hoe zwaarder de last wordt.
Elke mislukking wordt persoonlijk. Elk incident is bewijs dat je nog
strenger had moeten zijn. Elke ontsporing bevestigt het wantrouwen. Dat
is het glijvlak van de gedesillusioneerde bestuurder: iemand die ooit
dacht dat hij met redelijkheid en samenwerking de boel kon bijsturen, en
die uiteindelijk concludeert dat het nooit genoeg is.
De tekenen daarvan zijn subtiel, maar herkenbaar. De taal wordt
technischer. De afstand tot het publieke debat groter. Kritiek wordt
niet meer gezien als meningsverschil, maar als onbegrip. Protest wordt
ruis. Politiek wordt uitvoering. Wie eenmaal zover is, verliest het
vermogen om nog verrast te worden door de samenleving. Alles past in het
bestaande schema van dreiging en beheersing. Dat is niet het einde van
een carrière, maar wel het einde van inspiratie.
Het is goed mogelijk dat Jetten in zo’n fase zal eindigen als een
politicus die zijn eigen optimisme niet meer kan opbrengen. Niet omdat
hij plotseling zijn waarden verliest, maar omdat hij merkt dat zijn
politiek geen ruimte meer laat voor hoop die niet onmiddellijk
gereguleerd wordt. De glimlach blijft misschien, maar hij wordt een
reflex. De overtuiging verdampt. Wat overblijft is het afdwalen: van
Kamer naar overlegtafel, van top naar top, van commissie naar commissie,
steeds minder verbonden met het idee dat politiek ook iets kan openen in
plaats van afsluiten.
De geschiedenis zit vol met dit soort figuren. Politici die begonnen als
vernieuwers en eindigden als beheerders van teleurstelling. Niet omdat
ze corrupt werden of ideologisch draaiden, maar omdat hun wereldbeeld
steeds smaller werd. Omdat ze alles zagen aankomen, behalve de
mogelijkheid dat mensen anders zouden handelen dan verwacht. Dat is de
ironie van pessimistische politiek: ze zegt realistisch te zijn, maar is
blind voor onverwachte vormen van solidariteit, creativiteit en verzet.
Als Jetten werkelijk eindigt als een diep pessimistische en
gedesillusioneerde politicus, zal dat waarschijnlijk niet gepaard gaan
met grote drama’s. Geen schandaal, geen val, geen breuk. Eerder een
stille verschuiving. Een moment waarop hij merkt dat hij vooral bezig is
met schade beperken, niet meer met richting geven. Dat hij niet meer
spreekt over wat mogelijk is, maar over wat voorkomen moet worden. Dat
hij zichzelf hoort uitleggen waarom iets niet kan, niet waarom het moet.
En misschien is dat wel de tragiek van de openlijke optimist: dat hij zo
bang is om naïef te lijken, dat hij zijn hoop steeds verder inperkt. Tot
er uiteindelijk niets meer over is dan beheersing, voorzichtigheid en
een steeds kleiner speelveld. Tegen die tijd zal hij waarschijnlijk nog
steeds zeggen dat hij gelooft in vooruitgang. Maar wie goed luistert,
zal horen dat het geloof is vervangen door plicht. En plicht is geen
brandstof voor de lange termijn.
De voorspelling is dus niet dat Jetten zal ontsporen, radicaliseren of
falen. Het is iets banalers en daardoor waarschijnlijker: dat hij zal
eindigen als iemand die alles juist wilde doen, maar onderweg het
vertrouwen verloor dat het ooit genoeg zou zijn. Dat hij zijn optimisme
bleef uitspreken, zelfs toen hij het niet meer voelde. En dat hij,
wanneer hij uiteindelijk afdwaalt uit het centrum van de macht, zal
ontdekken dat zijn diepste overtuiging altijd al was dat de wereld
slechter wordt – en dat hij haar hooguit tijdelijk kon tegenhouden. Dat
is geen optimisme. Dat is uitgestelde wanhoop, keurig verpakt.
More information about the D66
mailing list