[D66] Is veiligheid het laatste excuus van een stuurloze politiek?
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Fri Jan 30 15:06:52 CET 2026
Is veiligheid het laatste excuus van een stuurloze politiek?
Wie het regeerakkoord nog eens doorleest zonder zich te laten bedwelmen
door de opgeklopte taal, ziet geen routekaart naar de toekomst maar een
noodverband dat is verkocht als visie. Dit document is geen antwoord op
de crises die het zelf opsomt, maar een zorgvuldig geformuleerde poging
om verantwoordelijkheid te verdunnen, conflicten uit te stellen en macht
te centraliseren zonder dat openlijk toe te geven. Het akkoord wil
daadkracht uitstralen, maar is in wezen defensief. Het wil richting
geven, maar durft geen richting te kiezen. En bovenal: het wil
vertrouwen herstellen door precies die politieke reflexen te herhalen
die dat vertrouwen hebben uitgehold.
Het begint al bij de toon. Alles is urgent, alles is groot, alles vraagt
om “samen”. Maar nergens wordt helder gemaakt wat er gebeurt als dat
samen niet lukt. Dat is geen detail, maar een fundamenteel manco.
Politiek is niet het opschrijven van wensscenario’s, maar het
organiseren van keuzes onder conflict. Dit akkoord weigert dat conflict
onder ogen te zien. Het benoemt problemen uitvoerig, maar behandelt ze
alsof ze los van elkaar bestaan en los van macht. Alsof stikstof,
woningnood, ongelijkheid, klimaat en veiligheid parallelle dossiers zijn
die je met voldoende regie allemaal een beetje kunt managen. Dat is niet
realistisch, dat is bestuurlijke zelfmisleiding.
Neem de zogenaamde grote ambities. Ze zijn overal en nergens. Nederland
moet koploper zijn, betrouwbaar bondgenoot, aantrekkelijk
vestigingsland, sociale rechtsstaat, groene voortrekker en veilige haven
tegelijk. Het akkoord suggereert dat deze rollen elkaar versterken, maar
levert geen bewijs. Integendeel: waar belangen botsen, wordt de botsing
gladgestreken met proceduretaal. Klimaatbeleid wordt “uitvoerbaar”
gemaakt door het tempo te verlagen. Woningbouw wordt versneld door
regels te herzien, maar zonder te erkennen dat die regels voortkomen uit
eerdere politieke keuzes over ruimte, eigendom en marktwerking.
Ongelijkheid wordt erkend, maar vooral benaderd als een bijproduct van
systemen die verder ongemoeid blijven.
Wat ontbreekt, is een normatieve kern. Wat vindt dit kabinet
belangrijker dan iets anders? Welke waarden zijn leidend wanneer doelen
niet tegelijk haalbaar zijn? Het akkoord weigert die vragen te
beantwoorden en vervangt ze door managementbegrippen. “Balans”,
“maatwerk”, “integrale afweging”. Dat klinkt verstandig, maar is in de
praktijk een manier om geen positie in te nemen. Politiek wordt zo
gereduceerd tot procesbegeleiding, terwijl de echte keuzes worden
doorgeschoven naar uitvoering, rechtspraak of volgende kabinetten.
De manier waarop de rechtsstaat wordt behandeld, is exemplarisch. De
toeslagenaffaire wordt erkend als tragedie, als falen, als waarschuwing.
Maar de lessen worden niet consequent doorgevoerd. Er wordt gesproken
over herstel, menselijkheid en vertrouwen, terwijl tegelijkertijd de
onderliggende logica van wantrouwen intact blijft. Handhaving wordt
aangescherpt, bevoegdheden uitgebreid, toezicht verzwaard. De burger mag
weer mens zijn, zolang hij zich gedraagt. Dat is geen herstel van de
rechtsstaat, maar cosmetische reparatie. De machtsverhoudingen die tot
misbruik hebben geleid, blijven grotendeels onaangeroerd.
Het akkoord zegt veel over veiligheid, en weinig over vrijheid. Dat is
geen toeval. Veiligheid is het organiserend principe geworden, niet als
randvoorwaarde maar als rechtvaardiging. Defensie-uitgaven stijgen
structureel, niet tijdelijk of situationeel, maar als nieuw normaal.
Inlichtingen- en veiligheidsdiensten krijgen meer ruimte, meer middelen,
meer vertrouwen dan de burgers die zij geacht worden te beschermen.
Demonstraties worden formeel erkend, maar feitelijk benaderd als
risico’s die gemanaged moeten worden. Preventie wordt verheven tot
deugd, ook wanneer zij ten koste gaat van openheid en tegenspraak.
Dit is geen neutrale reactie op een gevaarlijke wereld, maar een
ideologische keuze. Het akkoord gaat uit van een samenleving die
zichzelf niet kan dragen zonder permanente sturing van bovenaf. Dat is
een diep pessimistisch mensbeeld, verpakt als realisme. Burgers zijn
kwetsbaar, beïnvloedbaar, potentieel ontwrichtend. Daarom moeten ze
beschermd worden tegen desinformatie, tegen extremisme, tegen elkaar.
Het resultaat is een politiek die vrijheid steeds opnieuw conditioneert
en daarmee uitholt.
Ook economisch is het akkoord opvallend leeg. Er wordt gesproken over
brede welvaart, maar het groeimodel blijft onaangetast. Er wordt
geïnvesteerd, maar zonder fundamentele herziening van wie profiteert en
wie betaalt. Belastingen worden verschoven, niet hervormd. Vermogen
blijft grotendeels buiten schot, terwijl arbeid wordt aangesproken op
flexibiliteit en aanpassingsvermogen. Ongelijkheid wordt bestreden met
subsidies en tijdelijke regelingen, niet met structurele
machtscorrecties. Dat is geen sociale ambitie, dat is symptoombestrijding.
De financiële paragraaf is een les in verhulling. Grote uitgaven worden
gepresenteerd als investeringen die zichzelf terugverdienen, terwijl
risico’s worden geminimaliseerd of doorgeschoven. Het akkoord vertrouwt
op economische groei om spanningen op te lossen die juist door die groei
zijn verergerd. Tegelijkertijd wordt gesproken over
begrotingsdiscipline, alsof die discipline niet vooral neerkomt op
bezuinigen wanneer het politiek uitkomt. De belofte dat alles kan zonder
pijn is ongeloofwaardig, en het uitstellen van die pijn maakt haar
alleen groter.
Wat vooral stoort, is de morele zelfgenoegzaamheid van de tekst. Het
akkoord positioneert zichzelf voortdurend als redelijk alternatief voor
extremen. Het kabinet is niet hard, maar streng. Niet naïef, maar
hoopvol. Niet repressief, maar verantwoordelijk. Die framing is
effectief, maar oneerlijk. Ze suggereert dat elke fundamentele kritiek
buiten de redelijkheid valt. Dat wie meer radicale keuzes vraagt, de
complexiteit niet begrijpt. Dat wie waarschuwt voor machtsconcentratie,
de dreiging onderschat. Zo wordt het politieke midden geen plaats van
debat, maar een moreel schild.
Het akkoord heeft ook een opvallende obsessie met uitvoering. Alles moet
uitvoerbaar zijn, begrijpelijk, voorspelbaar. Dat klinkt als les uit het
verleden, maar wordt hier gebruikt als excuus om politiek te ontwijken.
Want veel beleid is niet moeilijk uit te voeren omdat ambtenaren
onbekwaam zijn, maar omdat de politieke doelen tegenstrijdig zijn. Door
uitvoering centraal te stellen zonder doelen te herijken, wordt de
uitvoering opnieuw overvraagd. Dat is geen bestuurlijke vernieuwing, dat
is herhaling.
Misschien het meest schrijnende is het ontbreken van verbeeldingskracht.
Dit akkoord gelooft niet echt in verandering. Het gelooft in beheersing.
In het voorkomen van het ergste, niet in het mogelijk maken van het
betere. De toekomst wordt voorgesteld als een reeks risico’s die
gemanaged moeten worden, niet als een open ruimte voor collectieve
keuzes. Dat maakt het akkoord fundamenteel conservatief, ongeacht de
progressieve taal. Het wil behouden wat er is, met kleine aanpassingen,
en hoopt dat dat genoeg is.
Als je het akkoord doormidden zaagt, blijft er weinig over. Aan de ene
kant staat een stapel beloften zonder prioriteit. Aan de andere kant een
machtsstrategie zonder eerlijkheid. Daartussen zit taal, heel veel taal,
bedoeld om de leegte te verhullen. Dit is geen document dat richting
geeft aan een samenleving in crisis. Het is een document dat laat zien
hoe bang de politiek is geworden om werkelijk te kiezen. En een politiek
die niet kiest, kiest uiteindelijk altijd voor zichzelf.
More information about the D66
mailing list