[D66] Zonder Grond, Zonder Richting: de burgerhorizon na de aftocht van waarden

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Mon Jan 26 10:50:30 CET 2026


Zonder Grond, Zonder Richting: de burgerhorizon na de aftocht van waarden


Wat zich vandaag aandient als de burgerhorizon van onze samenleving is 
geen horizon meer, maar een gesloten cirkel, een moreel vacuüm dat 
zichzelf voortdurend bevestigt door alles wat er buiten valt tot naïef, 
extremistisch of onrealistisch te verklaren. Dit nihilisme is niet 
spectaculair, niet luidruchtig, niet revolutionair. Het is comfortabel, 
zelfgenoegzaam en diep genormaliseerd. Het manifesteert zich niet in 
openlijke ontkenning van waarden, maar in een subtieler en gevaarlijker 
gebaar: de overtuiging dat waarden uiteindelijk niets meer zijn dan 
persoonlijke voorkeuren, esthetische smaken of tijdelijke sentimenten, 
die geen aanspraak mogen maken op collectieve geldigheid.

De burger van vandaag leeft binnen een morele horizon die zich voordoet 
als volwassen en rationeel, maar in werkelijkheid elk normatief conflict 
uit de weg gaat. Goed en kwaad zijn vervangen door “meningen”. 
Rechtvaardigheid door “balans”. Waarheid door “narratieven”. Alles is 
bespreekbaar, zolang het nergens toe verplicht. Deze houding wordt 
gepresenteerd als tolerantie, maar is in feite onverschilligheid met een 
moreel sausje. Het is een wereldbeeld dat weigert te erkennen dat 
samenleven altijd impliceert dat sommige zaken onaanvaardbaar zijn, 
ongeacht context of comfort.

Dit nihilisme is geen filosofische positie, maar een sociaal 
automatisme. Het is het gevolg van decennia waarin politiek, onderwijs 
en media systematisch hebben afgeleerd om morele oordelen te articuleren 
die verder reiken dan procedurele correctheid. Burgerschap is herleid 
tot naleving van regels en periodieke participatie, niet tot 
betrokkenheid bij de vraag wat voor samenleving men eigenlijk wil zijn. 
De burger wordt aangesproken als consument van beleid, niet als drager 
van verantwoordelijkheid voor een gedeelde wereld.

In deze leegte gedijt een vreemde vorm van cynisme. Men gelooft nergens 
echt in, maar is tegelijkertijd diep gekwetst wanneer anderen dat wel 
doen. Engagement wordt verdacht, radicaliteit belachelijk gemaakt, en 
morele ernst verward met fanatisme. Wie spreekt over rechtvaardigheid 
wordt gevraagd “voor wie dan precies”. Wie solidariteit bepleit, krijgt 
te horen dat “het nu eenmaal niet voor iedereen kan”. En wie weigert 
zich bij deze logica neer te leggen, wordt weggezet als gevaarlijk of 
wereldvreemd.

De burgerhorizon is zo smal geworden dat zij geen tragiek meer kan 
verdragen. Elk werkelijk moreel conflict, waarin waarden botsen en 
offers onvermijdelijk zijn, wordt vertaald in technocratische taal of 
psychologisch jargon. Structureel onrecht wordt een kwestie van 
communicatie. Politieke keuzes worden gepresenteerd als 
natuurverschijnselen. Niemand is verantwoordelijk, iedereen handelt 
“binnen de omstandigheden”. Het resultaat is een samenleving waarin 
macht steeds onzichtbaarder wordt, juist omdat niemand haar nog benoemt.

Dit nihilisme is moreel uitgeput, maar functioneel uiterst efficiënt. 
Het stelt instituties in staat om harde beslissingen te nemen zonder 
daar normatief rekenschap over af te leggen. Het maakt structurele 
uitsluiting verteerbaar door haar te presenteren als onvermijdelijk. En 
het ontneemt burgers de taal om hun eigen vervreemding te begrijpen. 
Onvrede wordt gepsychologiseerd, niet gepolitiseerd. Lijden wordt 
geïndividualiseerd, niet geanalyseerd.

De morele leegte manifesteert zich ook in de manier waarop vrijheid 
wordt begrepen. Vrijheid is niet langer het vermogen om samen te 
handelen in het licht van gedeelde waarden, maar de afwezigheid van 
verplichting. Alles wat bindt, wordt ervaren als bedreiging. Alles wat 
vraagt om loyaliteit, als beperking. De paradox is dat deze negatieve 
vrijheid uiteindelijk leidt tot een diep gevoel van machteloosheid: men 
mag alles willen, maar kan nergens voor staan zonder sociale frictie te 
riskeren.

Binnen deze burgerhorizon is er geen plaats meer voor het idee van 
offer. Niet het gewelddadige offer, niet het heroïsche offer, maar het 
alledaagse politieke offer: het besef dat een rechtvaardige samenleving 
vraagt dat sommigen minder krijgen, minder nemen, minder ruimte innemen. 
Dat idee is onverdraaglijk geworden. Elk verlies moet worden 
gecompenseerd, elk nadeel verzacht, elke grens onderhandeld. Zo 
verdwijnt het vermogen om morele grenzen te trekken, en daarmee het 
vermogen om werkelijk nee te zeggen.

Het nihilisme van de burgerhorizon is daarom geen afwezigheid van 
moraal, maar een moraal van gemak. Het hoogste goed is niet het ware, 
het goede of het rechtvaardige, maar het comfortabele. Conflict wordt 
vermeden, niet opgelost. Ongelijkheid wordt erkend, maar niet bestreden. 
Men weet, maar handelt niet. En precies daarin schuilt de diepste morele 
corruptie: niet in kwaadaardigheid, maar in passieve medeplichtigheid.

Deze houding wordt voortdurend bevestigd door een cultuur die ironie 
verheft tot levenshouding. Ernst is verdacht, pathos gênant, overtuiging 
suspect. Alles moet met een knipoog worden gezegd, alsof men zich vooraf 
wil indekken tegen de mogelijkheid dat woorden er werkelijk toe doen. 
Ironie functioneert hier niet als kritisch instrument, maar als schild 
tegen betrokkenheid. Wie niets echt meent, kan ook nergens op worden 
aangesproken.

Het gevolg is een samenleving die moreel uitgeput raakt zonder dat zij 
dat zelf onderkent. Men spreekt eindeloos over waarden, maar weigert ze 
te prioriteren. Men benadrukt diversiteit, maar ontwijkt de vraag naar 
gemeenschappelijkheid. Men verdedigt vrijheid van meningsuiting, maar is 
ongemakkelijk zodra die mening daadwerkelijk schuurt. Het publieke debat 
wordt zo een schijnvertoning waarin alles gezegd mag worden, zolang het 
niets verandert.

Dit nihilisme voedt uiteindelijk zijn eigen tegenreactie. Waar de 
burgerhorizon leeg blijft, vullen anderen haar met simplistische 
zekerheden, autoritaire beloften en morele absolutismen. Niet omdat die 
overtuigender zijn, maar omdat zij tenminste iets durven te beweren. Het 
falen van de liberale burgercultuur om normatief te spreken, creëert 
precies de ruimte waarin haar vermeende vijanden gedijen.

En toch blijft men verbaasd. Men vraagt zich af hoe polarisatie is 
ontstaan, hoe vertrouwen is verdwenen, hoe het publieke weefsel is 
verzwakt. Men ziet de symptomen, maar weigert de diagnose: een 
samenleving die niet meer weet waarvoor zij bereid is offers te brengen, 
zal uiteindelijk alles verliezen wat haar bijeenhoudt. Zonder morele 
horizon wordt politiek een beheersvraagstuk en burgerschap een lege rol.

Wat hier ontbreekt is niet consensus, maar moed. De moed om te erkennen 
dat waarden niet vrijblijvend zijn. Dat zij botsen, pijn doen en 
uitsluiten. Dat een rechtvaardige orde niet neutraal is, maar normatief 
geladen. En dat het weigeren om die lading te dragen geen onschuldige 
keuze is, maar een politieke daad met verstrekkende gevolgen.

Het nihilisme van de burgerhorizon is daarom geen eindpunt, maar een 
overgangsstadium. Het is het moment waarop een samenleving haar eigen 
leegte begint te normaliseren, terwijl zij tegelijkertijd hunkert naar 
betekenis. De vraag is niet of dit nihilisme houdbaar is — dat is het 
niet — maar wie het vacuüm zal vullen, en met welke woorden, welke 
daden, welke vormen van macht.

Zolang burgers zich tevreden stellen met morele vrijblijvendheid, zolang 
zij comfort verwarren met vrede en onverschilligheid met tolerantie, zal 
de leegte blijven groeien. En in die leegte zal geen ruimte zijn voor 
rechtvaardigheid, slechts voor beheer. Geen ruimte voor solidariteit, 
slechts voor sentiment. Geen ruimte voor waarheid, slechts voor 
bruikbare ficties.

Dit is de prijs van een burgerhorizon die zichzelf heeft opgegeven: een 
samenleving die alles kan uitleggen, maar niets meer kan rechtvaardigen.



More information about the D66 mailing list