[D66] De burgemeester als bedrijfsleider: tirade tegen Dijsselbloem

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Mon Jan 26 13:12:49 CET 2026


De burgemeester als bedrijfsleider: tirade tegen Dijsselbloem


Jeroen Dijsselbloem belichaamt een type politiek dat zich graag voordoet 
als nuchter, redelijk en modern, maar ondertussen gevangen zit in een 
denkraam dat ouder is dan het zelf wil toegeven. Als burgemeester van 
Eindhoven en boegbeeld van een zogenaamd vernieuwde sociaaldemocratie 
staat hij symbool voor een bestuursstijl waarin economie niet langer een 
middel is, maar een morele maatstaf is geworden. Alles wordt afgewogen 
in termen van “concurrentiekracht”, “verdienvermogen” en 
“vestigingsklimaat”, alsof de stad een fabriek is en haar inwoners 
cellen die moeten renderen. Het is die mentaliteit die zich vermomt als 
pragmatisme, maar in werkelijkheid een armoedig wereldbeeld verraadt.

Dijsselbloem spreekt de taal van het economisme met de 
vanzelfsprekendheid van iemand die niet meer doorheeft dat het een taal 
is, maar denkt dat het de natuur zelf is die spreekt. Groei is goed, 
schaalvergroting noodzakelijk, industriepolitiek onvermijdelijk. Wie 
daar vraagtekens bij zet, wordt weggezet als naïef, nostalgisch of – het 
ergste verwijt in dit universum – niet realistisch. Maar wat hier als 
realisme wordt gepresenteerd, is een zeer specifieke ideologie die doet 
alsof zij boven ideologie verheven is. Het is het oude trucje van de 
technocraat: politieke keuzes framen als technische noodzaak, zodat 
debat over waarden kan worden ingeruild voor managementtaal.

In Eindhoven krijgt dat gestalte in een haast religieuze verering van 
hightech, campussen en “ecosystemen”. De stad moet een motor zijn, een 
knooppunt, een internationale speler. Dat er mensen wonen die geen 
ingenieur zijn, geen expat met een riante regeling, geen ondernemer in 
de halfgeleiderketen, lijkt in dit verhaal bijzaak. Wonen wordt een 
afgeleide van werken, cultuur een instrument voor citymarketing, 
onderwijs een toeleverancier van human capital. Het stedelijk leven 
wordt gereduceerd tot een productiefactor. Dat is geen modernisering, 
dat is verarming.

Als voorman van het PvdA-moderniseringsfront – een front dat 
modernisering verwart met aanpassing aan de grillen van de markt – heeft 
Dijsselbloem deze logica al decennia helpen normaliseren. Onder het mom 
van verantwoordelijkheid en bestuurbaarheid is de sociaaldemocratie stap 
voor stap losgezongen van haar eigen traditie van emancipatie en 
tegenmacht. Wat overblijft is een partij die weliswaar nog spreekt over 
solidariteit, maar die solidariteit inmiddels vooral ziet als smeerolie 
voor economische groei. De vraag wie profiteert van die groei, en wie 
structureel achterblijft, raakt ondergesneeuwd door jubelverhalen over 
innovatie.

Het meest schrijnende is misschien nog wel de zelfgenoegzaamheid waarmee 
dit alles wordt gebracht. Dijsselbloem is niet de schreeuwende 
neoliberaal, maar de bedaarde bestuurder die met gefronste wenkbrauwen 
uitlegt dat er nu eenmaal “geen alternatief” is. Het is de TINA-doctrine 
in poldervorm. Natuurlijk zou iedereen het liefst betaalbare woningen, 
schone lucht en een inclusieve stad willen, maar ja, de markt, de 
investeerders, de internationale concurrentie. Zo wordt 
verantwoordelijkheid steeds doorgeschoven naar abstracte krachten, 
terwijl concrete keuzes worden vermomd als onvermijdelijkheden.

De clichés uit het economisme rollen daarbij moeiteloos over tafel. 
Eindhoven moet “meeliften op succes”, “niet achterblijven”, “zijn 
positie verzilveren”. Alsof een stad een gokker is aan een casinotafel, 
voortdurend bang om chips te verliezen. In die beeldspraak schuilt een 
permanente staat van angst: angst om niet aantrekkelijk genoeg te zijn, 
angst om kapitaal af te schrikken, angst om af te wijken. Het resultaat 
is beleid dat vooral bevestigt wat er al is, en zelden durft te vragen 
of dit succesverhaal wel voor iedereen een succes is.

Wat ontbreekt in Dijsselbloems betoog is een fundamentele 
nieuwsgierigheid naar andere manieren van kijken. Wat als we niet 
beginnen bij de vraag hoe Eindhoven zich kan positioneren in de 
wereldeconomie, maar bij de vraag hoe het leven van haar inwoners 
eruitziet? Wat als welzijn niet langer een bijvangst van groei is, maar 
het uitgangspunt? Dat zijn geen romantische fantasieën, maar politieke 
keuzes die in andere steden en landen wel degelijk worden verkend. Dat 
Dijsselbloem ze zelden serieus adresseert, zegt iets over de grenzen van 
zijn verbeelding.

Zijn industriepolitieke elan wordt gepresenteerd als links, omdat de 
staat weer een rol speelt. Maar het is een magere vorm van linksheid die 
zich beperkt tot het faciliteren van grote spelers, in de hoop dat de 
kruimels vanzelf naar beneden vallen. Het klassieke trickle-downverhaal 
krijgt hier een hightech sausje. Dat de overheid investeert is op 
zichzelf niet het probleem; het probleem is dat de voorwaarden waaronder 
dat gebeurt nauwelijks democratisch worden bediscussieerd. Wie bepaalt 
welke industrie wenselijk is? Wie draagt de risico’s als het misgaat? 
Wie plukt de vruchten als het lukt? In het discours van Dijsselbloem 
verdwijnen die vragen achter een wolk van optimistische buzzwords.

Er zit ook iets paternalistisch in deze benadering. De burger wordt 
aangesproken als iemand die moet begrijpen dat het ingewikkeld is, dat 
er nu eenmaal offers nodig zijn, dat de lange termijn telt. Maar die 
lange termijn wordt zelden concreet gemaakt, en nog minder wordt 
duidelijk wie er op korte termijn moet inleveren. Voor veel 
Eindhovenaren is de toekomst geen abstract begrip, maar de vraag of ze 
volgende maand hun huur kunnen betalen of hun kinderen in de stad kunnen 
laten wonen. Dat perspectief klinkt zelden door in de bestuurskamerretoriek.

Dijsselbloem is daarmee geen uitzondering, maar een symptoom. Hij staat 
voor een generatie bestuurders die zijn opgegroeid met het idee dat 
goede politiek vooral bestaat uit het binnen de lijntjes kleuren van wat 
economisch haalbaar wordt geacht. Hun grootste angst is niet onrecht, 
maar instabiliteit. Niet uitsluiting, maar het verlies van vertrouwen 
van “de markt”. In die hiërarchie van waarden delft de democratische 
verbeelding het onderspit. Politiek wordt beheer, bestuur wordt 
optimalisatie.

Een tirade tegen Dijsselbloem is daarom geen persoonlijke afrekening, 
maar een aanklacht tegen een manier van denken die zichzelf als 
volwassen en modern beschouwt, maar in feite diep conservatief is. 
Conservatief omdat zij bestaande machtsverhoudingen bevestigt. 
Conservatief omdat zij economische groei als natuurwet behandelt. 
Conservatief omdat zij zich nauwelijks kan voorstellen dat een stad ook 
anders kan functioneren dan als radertje in een mondiale productieketen.

Wie Eindhoven werkelijk serieus neemt, zou meer durven twijfelen. Meer 
durven luisteren naar stemmen die niet passen in het succesnarratief. 
Meer durven erkennen dat economische glans vaak gepaard gaat met sociale 
schaduw. Dat vraagt om politiek leiderschap dat verder gaat dan het 
herhalen van bekende formules. Het vraagt om taal die niet alleen 
efficiëntie benoemt, maar ook rechtvaardigheid, niet alleen kansen, maar 
ook grenzen.

Zolang Jeroen Dijsselbloem echter blijft spreken in de veilige, gladde 
volzinnen van het economisme, blijft hij gevangen in een 
moderniseringsverhaal dat zijn eigen leegte niet onder ogen wil zien. 
Het is een verhaal dat veel belooft, maar weinig bevraagt. En juist dat 
gebrek aan zelfkritiek maakt het zo vermoeiend, zo voorspelbaar en 
uiteindelijk zo weinig inspirerend voor een stad die meer verdient dan 
bestuurlijk jargon en industriële zelfhypnose.



More information about the D66 mailing list