[D66] Het Touw en het Algoritme: Over Nederlandse Barbarij, Toen en Nu
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Thu Jan 15 18:02:01 CET 2026
Het Touw en het Algoritme: Over Nederlandse Barbarij, Toen en Nu
De moord op de gebroeders De Witt is een scharnierpunt in de Nederlandse
zelfmythologie: het moment waarop de burgerlijke deugdzaamheid, die
zichzelf zo graag als maatgevend voor Europa beschouwt, door de eigen
menigte werd vertrapt. Het tafereel van 1672 is zo vaak verteld dat het
gevaar van verstarring dreigt: de feiten worden ritueel opgezegd, de
morele verontwaardiging netjes opgeborgen, en het nationale geweten kan
weer verder. Maar wie de gebeurtenis niet als museumstuk bekijkt, ziet
iets hardnekkigers aan het werk: een stijl van morele agressie, een
volks drift die zich telkens opnieuw uitvindt, maar zelden werkelijk
verdwijnt. De barbarij van toen is niet verdwenen; zij is
gemoderniseerd, gejuridiseerd, gepsychologiseerd, en vooral: moreel
gelegitimeerd.
Wat destijds met messen, knuppels en touwen werd voltrokken, gebeurt
vandaag met reputaties, platforms en bestaanszekerheden. De Nederlandse
samenleving prijst zich graag gelukkig met haar beschaving, haar
procedures en haar zachte macht. Maar achter die façade schuilt
eenzelfde lust tot zuivering, tot het aanwijzen van een vijand die de
orde bedreigt en daarom uit de gemeenschap moet worden verwijderd. Waar
de lichamen van de De Witten aan de galg hingen, hangen nu namen aan
algoritmen, aan dossiers, aan collectieve stiltes. Het geweld is minder
zichtbaar, maar niet minder reëel.
Het is verleidelijk om dit te relativeren door te wijzen op het verschil
tussen fysiek geweld en sociale uitsluiting. In Iran, zo luidt de
vergelijking, hangt men dissidenten op; in Nederland “cancel” je hen.
Dat contrast is evident en mag niet worden weggewuifd. De staat die zijn
tegenstanders fysiek elimineert, bedrijft een andere orde van kwaad dan
een samenleving die hen symbolisch marginaliseert. Toch is het morele
comfort van deze tegenstelling bedrieglijk. Want wie denkt dat
beschaving uitsluitend afgemeten wordt aan de afwezigheid van het touw,
miskent de mechanismen waardoor samenlevingen hun eigen wreedheid
verhullen. De vraag is niet of Nederland Iran is, maar of de Nederlandse
manier van uitsluiten een eigen barbarij heeft ontwikkeld die zich,
onder druk, kan verharden.
De kern van de zaak is niet het middel, maar de mentaliteit. De
lynchpartij van 1672 was geen spontane eruptie van blinde woede alleen;
zij werd voorafgegaan door pamfletten, geruchten, morele frames. De De
Witten waren verraders, vijanden van het volk, obstakels voor het ware
Nederland. Zodra dat verhaal gemeengoed werd, was het geweld al moreel
voorbereid. Het touw was slechts de epiloog. In de hedendaagse
cancelcultuur voltrekt zich een vergelijkbaar proces: eerst de reductie
van de persoon tot een symbool van kwaad, daarna de morele consensus dat
uitsluiting gerechtvaardigd is, en pas dan de uitvoering—ontslag,
boycot, sociale dood.
Wat deze processen gemeen hebben, is een diep wantrouwen jegens
pluraliteit. De Nederlandse cultuur heeft een lange traditie van
tolerantie, maar ook van conformisme. Dezelfde koopmansgeest die
compromissen sluit, kan ongeduldig worden met wie het morele evenwicht
verstoort. Afwijking wordt niet altijd bestreden met brute kracht, maar
met de subtielere wapens van schaamte en isolatie. Men hoeft iemand niet
op te hangen om hem het spreken onmogelijk te maken; het volstaat om hem
te reduceren tot een besmette naam.
Het gevaar schuilt hierin: wanneer morele zuiverheid het hoogste goed
wordt, verliest de samenleving haar weerstand tegen escalatie. Wie
vandaag applaus krijgt voor het digitaal stenigen van een ongewenste
stem, zal morgen minder geneigd zijn bezwaar te maken tegen hardere
maatregelen. De geschiedenis leert dat de stap van symbolisch naar
fysiek geweld zelden in één keer wordt gezet; zij bestaat uit een reeks
normalisaties. Eerst is het “slechts” uitsluiting, dan “slechts”
strafbaarstelling, en pas veel later openlijk geweld. Dat Nederland die
laatste stap voorlopig niet zet, is geen garantie voor morele
superioriteit, maar een kwestie van institutionele remmen en historische
omstandigheden.
De vergelijking met Iran functioneert in dit betoog niet als goedkope
provocatie, maar als spiegel. Iran toont wat er gebeurt wanneer de staat
het monopolie op morele waarheid claimt en die met geweld afdwingt.
Nederland toont wat er gebeurt wanneer die claim diffuus wordt verspreid
over media, bedrijven en burgers, die samen een moreel ecosysteem vormen
waarin afwijking wordt gesanctioneerd. Beide systemen verschillen in
intensiteit en vorm, maar delen een structurele overeenkomst: de neiging
om morele conflicten niet uit te houden, maar te beslechten door
eliminatie—zij het van lichamen of van stemmen.
Dat vooruitzicht maakt de toekomst onzeker. Niet omdat Nederland op het
punt staat galgen te bouwen op pleinen, maar omdat de morele taal
verhardt. Wanneer tegenstanders niet langer dwalende medeburgers zijn,
maar existentiële bedreigingen, verschuift de grens van het toelaatbare.
De geschiedenis van de De Witten herinnert eraan hoe snel een
samenleving die zichzelf beschaafd waant, kan omslaan wanneer angst en
morele verontwaardiging elkaar versterken. Het zou naïef zijn te denken
dat moderne instituties alleen voldoende zijn om dat te voorkomen.
Een erudiete beschouwing vereist daarom zelfkritiek. De vraag is niet
hoezeer Nederland verschilt van Iran, maar hoezeer het bereid is zijn
eigen neiging tot barbarij te erkennen. Beschaving is geen eindtoestand,
maar een fragiel evenwicht dat onderhoud vergt: de moed om afwijking te
verdragen, de discipline om woede te beteugelen, en de intellectuele
eerlijkheid om te erkennen dat uitsluiting—hoe netjes verpakt ook—een
vorm van geweld blijft. Wie die les vergeet, loopt het risico dat de
toekomst, onder nieuwe omstandigheden, harder wordt dan men zich nu kan
voorstellen.
More information about the D66
mailing list