[D66] Nederland als een uitgewoond huis

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Thu Jan 15 13:39:26 CET 2026


Nederland als een uitgewoond huis

Hier staat Nederland als een uitgewoond huis. Niet pittoresk uitgewoond, 
zoals een Parijse zolder waar existentialisten hun sigarettenpeuken op 
de vloer uitdrukten en het armoedig romantiseerden, maar echt 
uitgewoond: de vloerbalken kraken niet meer uit nostalgie, maar uit 
vermoeidheid. De muren zijn vergeeld door jaren van zelfgenoegzaamheid, 
dichtgesmeerd met beleidsnota’s, verkiezingsslogans en een hardnekkig 
geloof dat alles “toch best goed geregeld is”. Het dak lekt. Al jaren. 
Maar telkens als iemand een emmer neerzet, komt er een commissie om te 
onderzoeken of de emmer wel binnen de regels past.

Het huis heet Nederland, en het wordt nog net overeind gehouden door 
mensen die officieel “arbeidsmigranten” heten, maar functioneel de rol 
vervullen van ducttape. Geen fraaie zilverkleurige tape uit de 
bouwmarkt, maar het soort tape dat plakt omdat het niet anders kan. 
Mensen die ’s ochtends vroeg uit busjes worden uitgeladen bij 
distributiecentra die eruitzien als mausolea voor consumptiegoederen. 
Dozen in, dozen uit. Mensen erin, mensen eruit. Het verschil is dat 
dozen geen rugpijn krijgen en niet huilen in hun lunchpauze.

Nederland is een huis dat zichzelf ooit modern noemde. Het was zogenaamd 
vooruitstrevend ingericht: open keuken, transparante overheid, 
participatiesamenleving. Maar zoals bij zoveel verbouwingen bleek het 
vooral een kwestie van muren slopen zonder draagbalken te vervangen. 
Iedereen mocht meekijken in de keuken, zolang niemand vroeg wie er 
eigenlijk kookte. En nu staat het fornuis te roken, niet van culinaire 
hoogstandjes, maar van oververhitte logistiek en morele kortsluiting.

In de woonkamer hangen portretten van het verleden. De Gouden Eeuw kijkt 
neer met de licht beschamende glimlach van een oom die ooit rijk werd 
met dubieuze handeltjes, maar nog steeds verwacht dat je naar hem 
luistert. Daarnaast hangt een ingelijst krantenknipsel uit de jaren 
negentig: “Nederland gidsland”. Het glas is gebarsten, maar niemand 
durft het weg te halen. Je weet maar nooit of we dat etiket nog eens 
nodig hebben.

Het probleem met uitgewoonde huizen is niet dat ze instorten. Dat doen 
ze zelden spectaculair. Ze blijven staan, jaar na jaar, in een soort 
morele zombie-modus. Alles functioneert nog nét. De wc spoelt door, 
tenzij het vriest. De verwarming doet het, zolang je niet te veel kamers 
tegelijk warm wilt. En zo draait ook Nederland nog, zolang we niet te 
hard nadenken over wie de prijs betaalt voor dat “nog net”.

Die prijs wordt niet betaald in de nette studeerkamer waar beleidsmakers 
met cappuccino’s praten over “krapte op de arbeidsmarkt”. Hij wordt 
betaald in de logistieke achtertuin van het huis, waar niemand visite 
ontvangt. Distributiedozen, zo groot als voetbalvelden, waar dag en 
nacht het licht brandt alsof de zon zelf is geoutsourcet. Daar lopen 
mensen in fluorescerende hesjes, gereduceerd tot verlengstukken van 
scanners en targets. Hun namen zijn lastig uit te spreken, dus worden ze 
vervangen door personeelsnummers. Dat is efficiënter. En efficiëntie is 
de laatste deugd waar Nederland nog onironisch in gelooft.

Men noemt dit vooruitgang. Of beter: men noemt het noodzakelijk. Dat 
woord heeft in dit huis een bijna religieuze status. Noodzakelijk is wat 
niet meer ter discussie staat. Lage prijzen zijn noodzakelijk. Snelle 
levering is noodzakelijk. Economische groei is noodzakelijk. En als 
daarvoor mensen nodig zijn die twaalf uur per dag dozen sjouwen voor een 
loon waar je in dit land niet eens een kamer voor kunt huren, dan is dat 
jammer, maar ook noodzakelijk. Het huis haalt zijn schouders op. Het dak 
lekt immers al.

Wat het extra elegant maakt, is de morele boekhouding. Nederland is dol 
op lijstjes: gelukkigste landen, meest concurrerende economieën, beste 
infrastructuur. Als een huis vol trofeeën, terwijl de kelder blank 
staat. Arbeidsmigranten wonen daar figuurlijk, en vaak letterlijk: in 
vakantieparken die allang geen vakantie meer kennen, in woningen die 
ooit tijdelijk waren maar nu structureel mensonwaardig zijn. 
Tijdelijkheid is in dit huis een excuus geworden voor alles wat 
permanent mis is.

En toch is iedereen verbaasd. Hoe kan het dat er “onvrede” is? Hoe kan 
het dat mensen zich niet thuis voelen? Het huis staat vol sociologen die 
met meetlinten door de gangen lopen en concluderen dat “de sociale 
cohesie onder druk staat”. Dat klinkt beter dan zeggen: we hebben kamers 
verhuurd zonder ooit na te denken over samenleven. We hebben bewoners 
nodig om de boel draaiende te houden, maar we willen ze niet zien in de 
woonkamer.

In de keuken wordt ondertussen druk vergaderd over integratie. Er hangen 
schema’s aan de muur: pijlen, stappenplannen, kernwaarden. Alles in 
keurige blokletters. Niemand vraagt zich af hoe je moet integreren in 
een huis dat zelf niet meer weet wat het is. In een huis waar de 
bewoners elkaar alleen nog treffen bij de vuilnisbak, zwijgend, met hun 
eigen zak afval stevig vastgeklemd.

Het meest sarcastische detail is misschien wel dat Nederland zichzelf 
nog steeds graag presenteert als beschaafd. We hebben regels, 
protocollen, keurmerken. Zelfs uitbuiting is hier netjes georganiseerd. 
Het gebeurt niet met zwepen, maar met roosters. Niet met geschreeuw, 
maar met automatische e-mails. Mensonwaardigheid, maar dan efficiënt. 
Als het huis al schreeuwt, doet het dat in Excel.

Er wordt vaak gezegd dat arbeidsmigranten “werk doen dat Nederlanders 
niet meer willen doen”. Dat klinkt als een natuurwet, alsof het werk 
vanzelf is opgehouden aantrekkelijk te zijn, zoals een uitgestorven 
diersoort. Maar eigenlijk betekent het: werk dat we zo hebben ingericht 
dat niemand met alternatieven het nog accepteert. Het huis heeft 
besloten dat sommige kamers alleen toegankelijk zijn voor mensen zonder 
sleutel, zonder stem, zonder langetermijnperspectief.

En dan is er nog de ironie van de gastvrijheid. Nederland noemt zichzelf 
graag tolerant, open, inclusief. Maar in dit huis geldt gastvrijheid 
vooral zolang de gasten niet blijven hangen. Ze mogen best helpen met 
schoonmaken en repareren, zolang ze daarna weer verdwijnen naar de 
logeerkamer, de schuur, of liever nog: een ander huis. Dat ze nodig zijn 
om het huis overeind te houden, wordt zorgvuldig losgekoppeld van de 
vraag of ze er ook mogen wonen als volwaardige bewoners.

Het uitgewoonde huis heeft bovendien een bijzondere relatie met schuld. 
Die wordt keurig verdeeld, verdund, geoutsourcet. Het ligt nooit aan 
“ons”, maar aan systemen, markten, globalisering. Abstracties zijn de 
perfecte huisgenoten: ze maken rommel, maar je kunt ze niet aanspreken. 
En dus blijft iedereen beleefd, terwijl de plinten loslaten.

Soms komt er een makelaar langs. Die kijkt rond, fronst zijn wenkbrauwen 
en zegt dat het huis “potentie” heeft. Met wat investeringen, wat 
hervormingen, zou het weer aantrekkelijk kunnen worden. Hij praat over 
renovatie alsof het gaat om een nieuw kleurtje op de muur, niet over 
fundamentele scheuren in het fundament. Want echte renovatie zou 
betekenen dat iemand tijdelijk moet verhuizen. En niemand wil het huis 
uit, zelfs niet als het instortingsgevaarlijk is.

De arbeidsmigranten weten dit al lang. Zij voelen de tocht als eersten. 
Ze weten welke kamers onveilig zijn, welke trappen het eerst zullen 
breken. Maar hun waarschuwingen verdwijnen in het geroezemoes van het 
huis, overstemd door talkshows en verkiezingscampagnes waarin iedereen 
belooft dat het “anders” moet, zonder precies te zeggen voor wie.

Misschien is dat wel de kern van het probleem: Nederland als huis is 
moe, maar vooral bang. Bang om echt te erkennen dat het niet meer kan 
leven op oude glorie en goedkope arbeid. Bang om te kiezen tussen 
comfort en rechtvaardigheid. Bang om toe te geven dat een huis geen 
thuis is zolang sommige bewoners alleen welkom zijn als gereedschap.

En dus blijft het huis staan. Uitgewoond, lekkend, krakend. De 
distributiedozen blijven draaien, dag en nacht, als kunstmatige longen. 
Zolang er mensen zijn die bereid zijn het vuile werk te doen, kan 
Nederland zichzelf wijsmaken dat het nog functioneert. Dat het allemaal 
wel meevalt. Dat dit normaal is.

Tot op een dag iemand de hoofdschakelaar omzet. Niet uit 
kwaadwilligheid, maar uit uitputting. En dan zal het huis ontdekken wat 
het al die tijd heeft geweigerd te erkennen: dat je een samenleving niet 
eindeloos kunt bewonen alsof het een wegwerpartikel is. Dat zelfs een 
uitgewoond huis grenzen heeft. En dat de rekening, zoals altijd, niet 
door abstracties wordt betaald, maar door mensen.


More information about the D66 mailing list