[D66] De vernietiging van Nederland (2)

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Sun Feb 1 07:44:47 CET 2026


De vernietiging van Nederland (2)

Er bestaat een misverstand dat de Nederlandse ruimtelijke crisis primair 
een probleem van beleid, techniek of ecologie zou zijn. Dat is een 
geruststellende lezing, omdat zij suggereert dat correctie mogelijk is 
zonder zelfkritiek. In werkelijkheid is wat zich hier heeft voltrokken 
fundamenteler en onomkeerbaarder: een volledige herconfiguratie van mens 
en wereld, waarbij het landschap niet langer wordt bewoond, maar 
geëxploiteerd, en de mens niet langer leeft, maar functioneert. 
Nederland is het eindproduct van een rationaliteit die nergens meer door 
wordt begrensd, ook niet door de mens die zij zelf heeft voortgebracht.

Het Nederlandse landschap is geen decor en geen slachtoffer. Het is een 
actief medium van disciplinering. De eindeloze herhaling van vormen, 
functies en routes heeft een subject geproduceerd dat zich probleemloos 
aanpast aan herhaling, dat geen weerstand meer voelt tegen uniformiteit 
en dat verschil niet langer als waarde kan ervaren. Monotonie is hier 
geen esthetisch bijproduct, maar een morele pedagogiek. Wie opgroeit 
tussen identieke wijken, standaardwegen en generieke voorzieningen, 
leert dat afwijking niet gewenst is en dat betekenis iets is wat elders 
wordt geproduceerd, niet hier.

De historische trots op maakbaarheid vormt de ideologische kern van deze 
toestand. Wat ooit begon als een noodzaak om het water te beheersen, is 
uitgegroeid tot een metafysica waarin grenzen principieel niet bestaan. 
Alles wat is, kan anders worden ingericht; alles wat niet past, kan 
worden aangepast of verwijderd. Deze houding heeft geen eindpunt, omdat 
zij geen criterium kent voor genoeg. De polder is niet langer een 
compromis met de werkelijkheid, maar een aanval erop. En zoals elke 
aanval zonder tegenstand, heeft zij haar eigen logica verabsoluteerd.

Industrie en logistiek hebben deze logica ruimtelijk verankerd. De 
Nederlandse ruimte is herleid tot een netwerk van stromen: goederen, 
data, energie, verkeer. Plaats is hier irrelevant; alleen aansluiting 
telt. Dat distributiecentra eruitzien alsof zij overal hadden kunnen 
staan, is geen tekortkoming, maar een vereiste. Hun abstracte vorm drukt 
een wereldbeeld uit waarin locatie geen betekenis heeft en geschiedenis 
slechts een obstakel vormt. Het landschap wordt zo niet alleen ontledigd 
van natuur, maar ook van tijd.

De mens die in deze omgeving ontstaat, is noodzakelijkerwijs temporeel 
verarmd. Hij leeft in een permanent heden van deadlines, levertijden en 
realtime-informatie. Het verleden is gereduceerd tot erfgoedzones en 
museale enclaves; de toekomst tot prognoses en scenario’s. Werkelijke 
duur, ervaring van seizoenen, cycli en veroudering, is vervangen door 
een continue actualiteit die nergens heen gaat. Deze mens kan zich 
aanpassen aan alles, behalve aan stilstand.

De bio-industrie is in dit geheel geen excessieve ontsporing, maar de 
zuiverste articulatie van het dominante wereldbeeld. Zij laat zien wat 
er gebeurt wanneer leven volledig wordt onderworpen aan instrumentele 
rationaliteit. Het dier verschijnt hier uitsluitend als drager van 
vlees, melk of eieren, en zijn lijden wordt alleen relevant wanneer het 
de efficiëntie schaadt. Dat deze praktijken moreel ondraaglijk zijn, is 
geen geheim, maar een gegeven waar men geleerd heeft mee te leven. De 
samenleving heeft een subject voortgebracht dat cognitief in staat is om 
wreedheid te herkennen, maar affectief niet meer wordt geraakt.

Deze affectieve afstomping is geen individuele tekortkoming, maar een 
structureel gevolg van systematische afstand. Alles wat onaangenaam is, 
wordt ruimtelijk en symbolisch verplaatst: slacht buiten zicht, afval 
buiten de stad, uitbuiting buiten het discours. Zo ontstaat een moreel 
gesegmenteerde wereld waarin verantwoordelijkheid altijd elders ligt. 
Het subject leert dat zijn handelen geen directe relatie heeft tot 
gevolgen, en dat morele reflectie een luxe is die men kan uitbesteden 
aan experts, commissies en certificeringssystemen.

Het verkeerssysteem vervolmaakt deze subjectvorming. Infrastructuur is 
geen neutraal middel, maar een gedragsmodel. Zij dwingt tot snelheid, 
voorspelbaarheid en gehoorzaamheid aan signalen. De weggebruiker leert 
niet te interpreteren, maar te reageren. De wereld verschijnt als een 
reeks instructies: hier invoegen, daar stoppen, nu versnellen. In deze 
context verdwijnt het vermogen tot oriënteren; men volgt routes zonder 
nog te weten waar men is. De ervaring van ruimte wordt vervangen door 
navigatie.

Deze permanente geleiding produceert een mens die zich ongemakkelijk 
voelt zonder richting. Leegte wordt ervaren als falen, stilte als 
bedreiging. Alles moet worden ingevuld, geprogrammeerd, benut. Zelfs 
vrije tijd wordt georganiseerd, gemeten en geoptimaliseerd. De idee van 
een bestaan dat niet onmiddellijk ergens toe dient, roept nervositeit 
op. Zo internaliseert het subject de logica van het systeem en wordt 
zelf zijn meest betrouwbare handhaver.

De architectuur die uit deze toestand voortkomt, is noodzakelijkerwijs 
zielloos. Niet omdat architecten onbekwaam zouden zijn, maar omdat 
betekenis hier geen opdracht meer is. Gebouwen zijn 
investeringsvehikels, tijdelijk gestolde kapitaalstromen. Zij hoeven 
niets te zeggen, niets te herinneren, niets te beloven. Hun esthetische 
neutraliteit is ideologisch: zij bevestigt dat er geen hogere waarden 
bestaan dan functionaliteit en rendement. Schoonheid wordt verdacht 
gemaakt als subjectief, en daarmee onbruikbaar.

Het resultaat is een leefomgeving die geen weerstand biedt en dus ook 
geen karakter vormt. Waar alles glad en probleemloos is, hoeft niemand 
zich te verhouden. Conflict wordt vermeden, niet opgelost. Zo ontstaat 
een type mens dat harmonie verwart met afwezigheid van frictie en 
tolerantie met onverschilligheid. Deze mens is goed aangepast, maar 
innerlijk leeg; competent, maar richtingloos.

Overbevolking versterkt deze dynamiek niet door aantallen, maar door 
verdichting van functies. Te veel eisen worden op dezelfde ruimte 
gelegd, waardoor alles tegelijk moet gebeuren en niets echt kan 
plaatsvinden. De reactie hierop is verdere abstractie: hoger bouwen, 
sneller verplaatsen, intensiever produceren. De mogelijkheid om 
simpelweg minder te willen, wordt niet serieus overwogen. Schaarste 
wordt bestreden met complexiteit, nooit met zelfbeperking.

Het politieke en bestuurlijke discours dat dit alles begeleidt, is 
doordrenkt van eufemismen. Men spreekt over transities, uitdagingen en 
opgaven, maar vermijdt elk woord dat wijst op verlies of schuld. Deze 
taal is niet bedoeld om te begrijpen, maar om te managen. Zij produceert 
consensus zonder inhoud en neutraliseert kritiek door haar op te nemen 
in procedures. Zo wordt zelfs verzet functioneel.

Wat hier uiteindelijk verschijnt, is een mens die perfect past in een 
monotone wereld, maar die geen maatstaven meer heeft om die wereld te 
beoordelen. Hij ervaart onbehagen, maar kan het niet articuleren; hij 
voelt vermoeidheid, maar herkent geen oorzaak. Onvrede wordt 
psychologisch geïnterpreteerd en individueel behandeld, terwijl haar 
oorsprong structureel en ruimtelijk is. De mens wordt aangepast aan een 
onleefbare omgeving in plaats van omgekeerd.

De vraag of Nederland hiermee ‘vernietigd’ is, is minder interessant dan 
de vraag wat er nog kan ontstaan binnen deze orde. Zolang het landschap 
blijft functioneren als apparaat voor subjectproductie, zal het 
hetzelfde type mens blijven voortbrengen: flexibel, moreel gedempt, 
esthetisch ongevoelig. Werkelijke verandering zou een breuk vereisen met 
de onderliggende rationaliteit, een weigering om alles wat kan ook te 
doen. Dat is geen technische, maar een existentiële keuze.

Zonder die breuk resteert slechts verdere verfijning van het systeem. 
Nog efficiëntere stallen, nog slimmere infrastructuur, nog neutralere 
gebouwen. De wereld wordt beter georganiseerd, terwijl het leven eruit 
verdwijnt. Misschien is dat de uiteindelijke consequentie van een 
landschap dat geen grenzen meer kent: dat het ook geen mensen meer 
voortbrengt die grenzen kunnen stellen. Wat overblijft, is een goed 
functionerende leegte, bewoond door een subject dat geleerd heeft haar 
niet langer als probleem te ervaren.




More information about the D66 mailing list