[D66] De vernietiging van Nederland
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sun Feb 1 07:24:22 CET 2026
[Onbegrijpelijk, dat men 19 miljard aan defensie wil uittrekken voor een
land dat al vernietigd is! De Nederlander is de ergste vijand van
zichzelf, niet de Russen. Die hebben we mogelijk nog nodig voor een
nieuwe begin, niet Jetten met zijn bouwwoede van nog meer vinexwijken
dat qua architectuur en inwoner lelijker en onsmakelijker is dan een
gemiddelde sloppenwijk in Mexico-Stad.]
De vernietiging van Nederland
Wat zich in Nederland heeft voltrokken, laat zich niet langer adequaat
beschrijven in termen van ruimtelijke ordening, economische ontwikkeling
of zelfs ecologische crisis. Het is een antropologische gebeurtenis.
Industrie, landbouw en verkeer hebben niet alleen het landschap
hervormd, zij hebben een bepaald type mens voortgebracht: aangepast,
afgestompt, functioneel. Het monotone cultuurlandschap is geen toevallig
decor, maar een vormende kracht die zijn bewoners disciplineert,
conditioneert en uiteindelijk hervormt naar zijn eigen beeld. Nederland
is geen land meer, maar een systeem, en wie erin leeft, leert zich als
een systeemcomponent te gedragen.
Het Nederlandse landschap was altijd al een product van menselijke
ingreep, maar ooit ging die ingreep gepaard met begrenzing, met frictie,
met een besef van afhankelijkheid. De dijk was een verdediging, geen
overwinning. De polder een compromis, geen triomf. In het huidige
tijdperk is die ambiguïteit verdwenen. De ingreep is absoluut geworden.
Alles is onderworpen aan optimalisatie: grond, dier, mens en tijd. Het
landschap is niet langer iets waarin men leeft, maar iets wat
functioneert. En wat functioneert, duldt geen afwijking.
De industrialisering van de ruimte heeft een wereld voortgebracht waarin
verschil systematisch wordt geëlimineerd. Bedrijventerreinen,
distributiecentra en logistieke knooppunten zijn niet slechts lelijk;
zij zijn ontologisch leeg. Zij drukken niets uit, verwijzen nergens naar
en laten geen sporen van menselijke betekenis achter. Hun boodschap is
uniformiteit. Overal hetzelfde volume, dezelfde gevels, dezelfde
parkeerplaatsen. De mens die zich hier dagelijks doorheen beweegt, leert
dat plaats er niet toe doet. Dat hij zich net zo goed hier als elders
kan bevinden, zolang hij maar beweegt, produceert en consumeert.
Uit deze landschappen ontstaat een mens zonder verankering. Iemand voor
wie de omgeving geen morele of esthetische aanspraak meer maakt. Stilte
is verdacht, leegte moet worden ingevuld, en alles wat geen directe
functie heeft, roept ongemak op. Dit is geen psychologisch toeval, maar
een rationele aanpassing. Wie leeft in een wereld die volledig is
ingericht op doorstroming, leert zichzelf te zien als iets dat moet
doorstromen. Verblijven wordt verdacht, nadenken inefficiënt, traagheid
een fout in het systeem.
De landbouw vormt misschien wel het meest onthullende voorbeeld van deze
mentale verschraling. De bio-industrie is geen ontsporing van een verder
gezond systeem, maar zijn zuiverste expressie. Hier wordt zichtbaar wat
er gebeurt wanneer leven volledig wordt gereduceerd tot output. Dieren
bestaan niet meer als levende wezens, maar als biomassa, als
rekeneenheden in een optimalisatiemodel. Dat deze praktijken moreel
weerzinwekkend zijn, wordt niet ontkend maar geneutraliseerd: men
spreekt over ‘ketens’, ‘efficiëntie’ en ‘innovatie’. De taal zelf is
gedegradeerd tot een instrument van verdoving.
Wie dagelijks leeft temidden van deze abstractie, leert abstract te
denken over alles. Over dieren, over natuur, uiteindelijk ook over
mensen. Het is geen toeval dat empathie verdampt in een samenleving die
haar voedsel produceert in afgesloten dozen waar niemand naar hoeft te
kijken. Onzichtbaarheid is hier geen bijzaak, maar een voorwaarde. De
burger mag zich moreel intact voelen zolang de werkelijke consequenties
van zijn levensstijl buiten beeld blijven. Zo ontstaat een type mens dat
morele verantwoordelijkheid uitbesteedt, net zoals productie en
afvalverwerking.
Het verkeer voltooit deze transformatie. De infrastructuur is niet
slechts een middel om van A naar B te komen, maar een pedagogisch
systeem. Zij leert snelheid, gehoorzaamheid en voorspelbaarheid.
Bewegwijzering, rijstroken, geluidswallen en viaducten vormen een wereld
waarin alles is voorgeschreven en afwijking gevaarlijk wordt. De
automobilist leert te reageren, niet te reflecteren. Het landschap wordt
gereduceerd tot een voorbijschietend decor zonder diepte, zonder
weerstand. Men is overal en nergens tegelijk.
Deze permanente mobiliteit vernietigt het vermogen tot plaatsgebonden
denken. Wie nooit ergens aankomt, maar slechts arriveert, ontwikkelt
geen relatie tot zijn omgeving. Zo ontstaat een mens die zich thuis
voelt in winkelcentra, parkeerplaatsen en nieuwbouwwijken: ruimtes die
nergens over gaan en dus niemand tegenspreken. Architectuur wordt hier
een vorm van achtergrondruis. Gebouwen hoeven niet mooi of betekenisvol
te zijn, zolang zij maar niet storen. Lelijkheid wordt getolereerd
zolang zij efficiënt is.
De overbevolking van Nederland is in dit licht minder een kwestie van
aantallen dan van intensiteit. Te veel mensen op te weinig ruimte, maar
vooral: te veel functies, te veel claims, te weinig adem. In plaats van
deze druk te erkennen als een fundamenteel probleem, wordt zij bestreden
met verdere verdichting en versnelling. Elke oplossing verergert het
onderliggende tekort: ruimte voor nietsdoen, voor niet-weten, voor wat
geen nut heeft.
Uit dit alles ontstaat een mens die zich comfortabel voelt in crisis.
Iemand die klaagt over drukte, maar elke vorm van leegte verdacht vindt.
Die zich ergert aan files, maar elke beperking van mobiliteit als een
aanval op vrijheid ervaart. Vrijheid wordt hier niet opgevat als de
mogelijkheid om anders te leven, maar als de afwezigheid van obstakels
binnen een vooraf bepaald patroon. Het is een smalle, uitgeholde
vrijheid, perfect passend bij een monotone omgeving.
De architectonische malaise is de esthetische uitdrukking van deze
geestestoestand. Er wordt gebouwd zonder overtuiging, zonder idee van
duurzaamheid in culturele zin. Gebouwen zijn tijdelijk, ook wanneer zij
van beton zijn. Zij drukken geen waarden uit, omdat de samenleving die
ze voortbrengt haar waarden heeft gereduceerd tot meetbare prestaties.
Wat niet kan worden gekwantificeerd, verdwijnt uit het ontwerp.
Schoonheid wordt subjectief verklaard en daarmee irrelevant.
Het meest verontrustende is misschien niet de fysieke schade, maar de
normalisering ervan. Wie opgroeit tussen snelwegen, megastallen en
distributiecentra, leert dat dit de wereld is zoals zij hoort te zijn.
Verzet wordt nostalgie genoemd, kritiek elitair, en elke poging tot
fundamentele herziening onrealistisch. Zo sluit het systeem zich af
tegen denken. Niet door censuur, maar door gewenning.
In die zin heeft Nederland zichzelf niet alleen landschappelijk, maar
ook geestelijk uitgeput. Het heeft een mens voortgebracht die efficiënt
kan functioneren in een leeg landschap, maar moeite heeft met alles wat
daarbuiten valt: stilte, ambiguïteit, morele grenzen. Of dit een
definitieve toestand is, valt te betwijfelen. Maar zolang het monotone
landschap blijft voortbestaan, zal het het type mens blijven produceren
dat het nodig heeft om zichzelf te rechtvaardigen. En misschien is dat
de meest verontrustende gedachte van allemaal.
More information about the D66
mailing list