[D66] De vernietiging van Nederland (3)
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sun Feb 1 07:57:12 CET 2026
De vernietiging van Nederland (3)
Wat in Nederland doorgaans wordt aangeduid als een ruimtelijke,
ecologische of economische crisis, laat zich vanuit kritisch-theoretisch
perspectief slechts begrijpen als een voltooiing. Niet een ontsporing,
maar een consequentie. Wat hier zichtbaar wordt, is de triomf van
instrumentele rationaliteit in haar meest banale en alomtegenwoordige
vorm. Het landschap is geen omgeving meer, maar een apparaat; de mens
geen bewoner, maar een functie. In deze zin is Nederland geen
uitzondering, maar een extreme concentratie van een ontwikkeling die
door de Frankfurter Schule reeds als noodlottig werd herkend: de totale
kolonisering van wereld en subject door middelen-doel-rationaliteit.
Horkheimer en Adorno beschreven hoe de Verlichting, in haar streven om
de mens te bevrijden van mythe en natuur, omslaat in een nieuwe vorm van
overheersing. De natuur wordt object, reserve, materiaal. In Nederland
heeft deze dialectiek een ruimtelijke vorm aangenomen. Het landschap is
volledig onttoverd en herleid tot Bestand, om Heideggers term te
gebruiken: iets dat voorhanden is om te worden benut, opgeslagen en
herverdeeld. Niets mag zijn om zichzelf; alles moet beschikbaar zijn.
Het land is geen land meer, maar een permanente opdracht.
Deze logica heeft zich niet beperkt tot dingen, maar is doorgedrongen
tot het menselijk subject. De Nederlandse ruimte is pedagogisch. Zij
leert gehoorzaamheid, voorspelbaarheid en aanpassing. De eindeloze
herhaling van wegen, wijken, bedrijventerreinen en landbouwgronden is
geen esthetisch toeval, maar een vorm van stille dwang. Monotonie
disciplineert. Zij leert dat verschil overbodig is en dat betekenis
elders wordt gegenereerd: in systemen, netwerken, abstracties.
Heidegger beschreef het Gestell als de wijze waarop de moderne techniek
de wereld ontsluit: niet als een veelheid van zijnden, maar als een
voorraad energie die gereedstaat voor gebruik. Het Nederlandse landschap
is een exemplarisch Gestell-landschap. Het dwingt alles wat verschijnt
in de vorm van bruikbaarheid. Zelfs natuur mag slechts bestaan als
recreatiegebied, stikstofbuffer of ‘groene infrastructuur’. Wat zich
hier niet laat inpassen, verdwijnt. Wat blijft, is een wereld zonder
eigenheid.
De mens die in deze wereld ontstaat, is wat Adorno de aangepaste mens
noemde: iemand die geleerd heeft zichzelf te begrijpen in termen van
functies en prestaties. Deze mens ervaart zichzelf niet als handelend
subject, maar als schakel in een groter geheel. Hij voelt zich vrij
zolang het systeem soepel loopt en ervaart kritiek als storing. Zijn
verlangens zijn voorgevormd, zijn taal gestandaardiseerd, zijn
verbeelding beperkt tot wat reeds beschikbaar is.
De bio-industrie vormt de meest onverbloemde manifestatie van deze
ontologische reductie. Hier wordt leven ontdaan van elke kwalitatieve
dimensie en volledig opgenomen in een calculus van efficiëntie. Het dier
verschijnt uitsluitend als productiedrager; zijn lijden is ruis. Dat
deze praktijken moreel schokkend zijn, leidt niet tot opstand, maar tot
morele vermoeidheid. De samenleving heeft een subject voortgebracht dat
alles weet, maar niets meer voelt. De afstand tussen kennis en affect is
structureel geworden.
Voor de Frankfurter Schule was deze gevoelloosheid geen psychologisch
defect, maar een maatschappelijk vereiste. Wie permanent wordt
blootgesteld aan onrecht zonder mogelijkheid tot handelen, leert zich af
te reageren. In Nederland is deze conditionering ruimtelijk verankerd.
De plekken waar geweld plaatsvindt — slachthuizen, distributiecentra,
afvalverwerking — zijn zorgvuldig buiten het dagelijkse zicht gehouden.
Het landschap zelf fungeert als scherm dat morele confrontatie voorkomt.
Het verkeerssysteem is het circulatoire zenuwstelsel van dit geheel.
Heidegger zag in de moderne techniek een dwingende openbaring: zij
gebiedt. De infrastructuur gebiedt snelheid, richting en gedrag. Zij
laat geen ruimte voor interpretatie, slechts voor naleving. De mens
beweegt zich door een wereld van signalen waarin alles al is
voorbeslist. Oriëntatie wordt vervangen door navigatie; ervaring door
doorstroming.
Deze permanente geleiding produceert een subject dat geen verhouding
meer heeft tot plaats. Plaatsloosheid wordt normaal, zelfs wenselijk. De
mens voelt zich thuis in overgangszones, in niet-plaatsen die niets van
hem vragen en niets aan hem teruggeven. Hier voltrekt zich wat Adorno
beschreef als de nivellering van ervaring: alles wordt even belangrijk
en daardoor even onbetekenend.
De architectuur die deze wereld voortbrengt, is noodzakelijkerwijs
negatief. Niet omdat zij mislukt, maar omdat zij precies doet wat van
haar wordt verlangd. Zij verzet zich nergens tegen. Zij bevestigt de
heerschappij van het uitwisselbare, het tijdelijke, het
kwantificeerbare. Schoonheid is hier verdacht omdat zij geen directe
functie heeft. Duurzaamheid wordt gereduceerd tot technische levensduur,
niet tot culturele betekenis.
Overbevolking verschijnt in dit kader als een vals probleem. Niet het
aantal mensen is beslissend, maar de totaliteit van eisen die op elke
meter ruimte worden gelegd. Alles moet tegelijk renderen: wonen, werken,
transporteren, compenseren. Deze overbelasting leidt niet tot
zelfbeperking, maar tot verdere rationalisering. Zoals Horkheimer al
zag, lost instrumentele rede haar eigen crises altijd op met meer van
zichzelf.
Het politieke discours dat deze toestand legitimeert, is doordrenkt van
wat Adorno administratieve taal noemde. Men spreekt in abstracties die
elke concrete ervaring neutraliseren. Problemen worden ‘opgaven’,
conflicten ‘dossiers’, vernietiging ‘transitie’. Deze taal is niet
onschuldig. Zij maakt lijden onzichtbaar en kritiek beheersbaar. Wie
deze taal accepteert, accepteert ook het wereldbeeld dat zij draagt.
Wat resteert, is een mens die zich heeft aangepast aan een wereld die
hem ontkent. Hij functioneert probleemloos, maar leeft niet werkelijk.
Zijn onbehagen wordt gepsychologiseerd, zijn vermoeidheid
gemedicaliseerd. Dat de bron van dit onbehagen buiten hem ligt — in een
landschap dat hem voortdurend instrumentaliseert — blijft ondenkbaar.
Kritiek wordt zo een individuele afwijking in plaats van een rationele
reactie.
De vraag naar vernietiging is hier uiteindelijk irrelevant. Wat
vernietigd is, is niet slechts natuur of landschap, maar de mogelijkheid
tot een andere verhouding tot het zijnde. Heidegger waarschuwde dat het
grootste gevaar van de techniek niet haar destructieve kracht is, maar
haar vermogen om geen alternatieven meer toe te laten. Nederland
belichaamt dit gevaar in geconcentreerde vorm. Het is een land waarin
alles werkt en niets spreekt.
Zolang deze ontologische orde intact blijft, zal zij haar eigen subject
blijven produceren: aangepast, efficiënt, moreel afgestompt. Werkelijke
verandering zou geen hervorming zijn, maar een breuk met de
vanzelfsprekendheid van maakbaarheid en beheersing. Dat is geen
beleidsvraag, maar een existentieel risico. En juist daarom blijft het
ondenkbaar binnen een landschap dat alles heeft geleerd te denken —
behalve zijn eigen grens.
More information about the D66
mailing list