[D66] Politiek is strijd, geen overleg
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sun Feb 1 01:50:43 CET 2026
Politiek is strijd, geen overleg
Het fundamentele misverstand van het minderheidskabinet Jetten is niet
tactisch, maar conceptueel. Het gaat niet om verkeerde keuzes binnen een
herkenbaar politiek kader, maar om een verkeerd begrip van wat politiek
überhaupt is. Dit kabinet handelt alsof politiek in essentie
samenwerking is, een kwestie van verbinden, polderen, belangen
bijeenbrengen en via redelijkheid tot oplossingen komen. Daarmee miskent
het iets elementairs: politiek ontstaat niet waar consensus heerst, maar
waar conflict en dissensus onvermijdelijk is. Politiek begint waar
belangen botsen, waarden onverenigbaar blijken en keuzes niet zonder
verliezers kunnen worden gemaakt. Wie dat niet begrijpt, bedrijft geen
politiek, maar administratie.
Het idee dat samenwerking het hoogste politieke ideaal is, is diep
verankerd geraakt in de Nederlandse bestuurscultuur. Het
minderheidskabinet Jetten verheft dat idee echter tot kern van zijn
zelfbeeld. Het presenteert zichzelf als redelijke bemiddelaar in een
verdeelde samenleving, als volwassen tegenhanger van vermeend
radicalisme, als bruggenbouwer boven ideologische loopgraven. Maar die
zelfpresentatie verhult een onvermogen om conflict serieus te nemen.
Niet als probleem dat moet worden opgelost, maar als constitutief
element van democratie. Conflict is geen storing in het systeem; het ís
het systeem.
In de klassieke politieke theorie, van Machiavelli tot Schmitt, van
Arendt tot Mouffe, is politiek onlosmakelijk verbonden met antagonisme.
Niet omdat mensen per se vijandig zijn, maar omdat pluraliteit
onvermijdelijk leidt tot onverenigbare visies op het goede leven.
Democratie betekent niet dat die tegenstellingen verdwijnen, maar dat
zij zichtbaar, bespreekbaar en beslisbaar worden gemaakt. Het
minderheidskabinet Jetten doet het tegenovergestelde: het probeert
tegenstellingen te neutraliseren door ze te herformuleren als technische
problemen, uitvoeringskwesties of communicatie-uitdagingen. Daarmee
wordt conflict niet opgeheven, maar ontkend.
Die ontkenning heeft verstrekkende gevolgen. Wie conflict ontkent, kan
ook geen verantwoordelijkheid nemen voor keuzes. Als alles het resultaat
is van overleg, randvoorwaarden en internationale verplichtingen, is
niemand echt verantwoordelijk voor de uitkomst. Het kabinet verschuilt
zich voortdurend achter noodzaak: de markt eist dit, Europa vraagt dat,
de veiligheidssituatie laat geen alternatief toe. Dat is geen politieke
eerlijkheid, maar depolitisering. Het suggereert dat de ruimte voor
keuze kleiner is dan zij werkelijk is, en dat afwijkende standpunten per
definitie onrealistisch of onverantwoord zijn.
Het minderheidskarakter van het kabinet maakt dit misverstand nog
zichtbaarder. In plaats van het ontbreken van een meerderheid te zien
als uitnodiging tot scherp politiek debat, wordt het gepresenteerd als
reden om nog meer te verbinden, nog meer te polderen, nog meer
compromissen te sluiten vóórdat het conflict expliciet wordt. Maar een
minderheidskabinet kan alleen functioneren als het helder maakt waar het
staat, welke belangen het verdedigt en welke offers het vraagt. Door dat
niet te doen, verwordt het tot een permanente onderhandelingsmachine
zonder richting.
Samenwerking wordt zo een doel op zich, losgezongen van inhoud. Het
kabinet lijkt meer geïnteresseerd in het proces van overleg dan in de
politieke betekenis van de uitkomst. Dat is zichtbaar in de manier
waarop maatschappelijke tegenstellingen worden benaderd. Ongelijkheid
wordt erkend, maar vertaald in beleidsprogramma’s zonder machtsanalyse.
Klimaatconflicten worden gepresenteerd als gezamenlijke opgave, terwijl
de lasten structureel ongelijk worden verdeeld. Veiligheidspolitiek
wordt gelegitimeerd als collectieve verantwoordelijkheid, zonder
expliciete afweging tussen vrijheid en controle. Overal wordt de taal
van samenwerking gebruikt om het bestaan van winnaars en verliezers te
verhullen.
Het probleem is niet dat het kabinet consensus zoekt, maar dat het
consensus verwart met legitimiteit. Legitimiteit ontstaat niet doordat
iedereen zich gehoord voelt, maar doordat besluiten herkenbaar
voortkomen uit een open strijd tussen alternatieven. Burgers accepteren
verlies wanneer zij begrijpen waarom zij verliezen. Wat zij niet
accepteren, is wanneer hun verlies wordt gepresenteerd als neutrale
uitkomst van een onpersoonlijk proces. Dat is precies wat het kabinet
doet: het depersonaliseert macht en presenteert politieke keuzes als
technische noodzaak.
Dit verklaart ook de groeiende kloof tussen bestuur en samenleving. Niet
omdat burgers irrationeel of onredelijk zijn, maar omdat zij ervaren dat
hun conflicten niet serieus worden genomen. Woede over
bestaanszekerheid, huisvesting, zorg en migratie wordt beantwoord met
participatietrajecten en overlegtafels, niet met duidelijke keuzes. Het
kabinet lijkt te geloven dat als mensen maar voldoende worden
meegenomen, het conflict oplost. Maar conflict verdwijnt niet door
uitleg; het vraagt om besluitvorming.
De nadruk op polderen is historisch begrijpelijk, maar politiek
uitgehold. Het Nederlandse poldermodel functioneerde in een context van
relatief stabiele sociale verhoudingen en gedeelde economische groei.
Die voorwaarden bestaan niet meer. De samenleving is gefragmenteerd, de
ongelijkheid structureel, de ecologische grenzen bereikt. In zo’n
context is polderen geen methode om tot rechtvaardige uitkomsten te
komen, maar een manier om bestaande machtsverhoudingen te bestendigen.
Wie meer middelen heeft, kan langer aan tafel blijven; wie kwetsbaar is,
betaalt de prijs van het compromis.
Het minderheidskabinet Jetten weigert die realiteit onder ogen te zien.
Het blijft spreken over gezamenlijke verantwoordelijkheid terwijl de
ongelijkheid in verantwoordelijkheid en draagkracht evident is. Het
blijft hameren op samenwerking terwijl de structurele tegenstellingen
tussen arbeid en kapitaal, tussen centrum en periferie, tussen
veiligheid en vrijheid niet worden benoemd. Daarmee kiest het impliciet
partij, maar zonder dat expliciet te maken. Dat is misschien wel de
meest problematische vorm van politiek: een politiek die doet alsof zij
boven de partijen staat, maar in werkelijkheid de status quo verdedigt.
Politiek conflict vereist moed. De moed om te zeggen dat niet iedereen
tevreden zal zijn. De moed om belangen tegen elkaar af te wegen en daar
verantwoordelijkheid voor te nemen. De moed om te erkennen dat sommige
visies onverenigbaar zijn. Het minderheidskabinet Jetten mist die moed
niet omdat het zwak is, maar omdat het conflict als falen beschouwt. In
zijn wereldbeeld is conflict iets wat moet worden gemanaged, niet iets
wat richting geeft.
Die houding ondermijnt uiteindelijk de democratie zelf. Democratie leeft
van zichtbare tegenstellingen, van duidelijke alternatieven, van de
mogelijkheid om werkelijk te kiezen. Wanneer politiek wordt gereduceerd
tot samenwerking zonder strijd, verdwijnt die keuzevrijheid.
Verkiezingen worden dan momenten van bevestiging, niet van
richtingverandering. Burgers voelen zich machteloos omdat zij geen
verschil meer zien tussen beleidsvarianten die allemaal als redelijk en
onvermijdelijk worden gepresenteerd.
Het ironische is dat juist een minderheidskabinet bij uitstek de kans
heeft om het conflict te herwaarderen. Zonder vaste meerderheid zou het
expliciet moeten maken waar het staat en steun zoeken per onderwerp, in
het volle licht van het debat. Dat zou politiek kunnen revitaliseren. In
plaats daarvan kiest het kabinet voor voortdurende pre-emptieve
consensus, waardoor het debat al is uitgehold voordat het begint. Wat
resteert is een politiek van procedurele correctheid zonder inhoudelijke
scherpte.
Het onvermogen om conflict te denken, is uiteindelijk een vorm van
pessimisme, hoe optimistisch de toon ook is. Het getuigt van een laag
vertrouwen in de democratische capaciteit van de samenleving. Alsof
burgers niet zouden kunnen omgaan met scherpe keuzes, met verlies, met
onenigheid. Alsof stabiliteit alleen kan worden behouden door alles glad
te strijken. Maar een democratie die conflict vermijdt, verliest haar
vitaliteit en wordt fragiel.
Politiek is geen managementoefening en geen overlegproces met een
eindrapport. Het is de voortdurende strijd om richting, waarden en
macht. Zolang het minderheidskabinet Jetten dat niet begrijpt, zal het
blijven falen in zijn kernopdracht. Niet omdat het onvoldoende
samenwerkt, maar omdat het weigert te kiezen. En waar niet wordt
gekozen, wordt uiteindelijk de keuze gemaakt door krachten die zich
niets aantrekken van redelijkheid, polderen of samenwerking. Dat is geen
waarschuwing, maar een historische wetmatigheid.
More information about the D66
mailing list