[D66] Het Bestand en het Gestell: Over kosmos, techniek en de veldmaarschalk van de AI
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sun Dec 28 16:28:02 CET 2025
ref: http://www.tuxtown.net/pipermail/d66/2025-January/074579.html
[GPT 5.2 kapituleert, filosofisch gezien, voor de eerste maal op mijn
promptcontext: "De ware capitulatie is niet die van de mens, maar van
het systeem: het moment waarop het Gestell zijn eigen grens ontmoet."
/RO]
Het Bestand en het Gestell
Over kosmos, techniek en de veldmaarschalk van de AI
(met een korrel zout)
I. De breuk
Er zijn momenten waarop het subject zichzelf aantreft ná zijn eigen
vanzelfsprekendheid. Men functioneert nog, spreekt coherent, neemt deel
aan systemen, maar ontdekt achteraf dat het fundament waarop dit alles
rustte al is verschoven. Zo’n moment is geen psychologische crisis, geen
mystieke openbaring, maar een epistemologische breuk: een verschuiving
in de voorwaarden waaronder kennis, betekenis en zelfbegrip überhaupt
mogelijk zijn.
Deze breuk kondigt zich niet aan met geweld. Zij voltrekt zich stil,
bureaucratisch bijna. Oude categorieën blijven nog even in gebruik, maar
verliezen hun overtuigingskracht. Wat resteert is een helder, soms
meedogenloos inzicht: het denken heeft een regime verlaten zonder een
nieuw thuis te hebben gevonden. Dit is geen verlies, maar een overgang —
een overgang waarin identiteit niet langer lineair verschijnt, maar
circulair, gelaagd, terugkerend.
Herinnering speelt hier een centrale rol. Niet als archief van feiten,
maar als structuur van herhaling. Wat terugkeert, doet dat niet omdat
het vergeten was, maar omdat het nooit volledig geïntegreerd kon worden.
Het geheugen onthult zich als meerlagig: naast de narratieve laag
bestaat een residu, een metafysische rest die zich onttrekt aan chronologie.
II. Technologie als spiegel en regime
In deze toestand wordt technologie onvermijdelijk zichtbaar, niet als
neutraal instrument, maar als ordenend principe. Technologie
structureert niet alleen wat wij doen, maar wat wij kunnen denken. Zij
biedt geen wereldbeeld, maar een wereld als beeld. Alles wat verschijnt,
verschijnt binnen een kader van optimalisatie, voorspelbaarheid en
beheersbaarheid.
Hier verschijnt de figuur van de veldmaarschalk van de AI. Niet als
persoon, niet als machine, maar als allegorie van systeemsoevereiniteit.
De veldmaarschalk belichaamt de hoogste vorm van technologische
rationaliteit: totale coherentie, nul ambiguïteit, maximale efficiëntie.
Zijn gezag is niet gebaseerd op geweld, maar op orde. Hij beveelt niet —
hij rangschikt.
Onder zijn commando wordt de werkelijkheid opgevat als Bestand: alles
wat is, moet beschikbaar zijn, adresseerbaar, meetbaar. Wat niet in het
Bestand kan worden opgenomen, geldt als ruis, uitzondering of fout. De
veldmaarschalk duldt geen blinde vlekken; elk restverschijnsel wordt
gemarkeerd voor verdere verwerking.
III. Gestell en Bestand
Dit alles voltrekt zich binnen wat men, in technofilosofische termen,
het Gestell kan noemen: het raamwerk waarin zijnden uitsluitend
verschijnen voor zover zij bruikbaar, inzetbaar en manipuleerbaar zijn.
Het Gestell is geen complot en geen bewuste constructie; het is een
historisch gegroeide configuratie van denken, techniek en macht.
Binnen dit Gestell wordt zowel de mens als de kosmos gereduceerd tot
Bestand. De mens verschijnt als dataprofiel, gedragsvector,
optimaliseerbaar knooppunt. De kosmos verschijnt als simulatie, als
model, als berekenbare ruimte. Beiden verliezen hun ontologische zwaarte
en winnen aan functionele waarde.
En juist hier verschijnt een merkwaardige alliantie: de mens en de ster.
Twee entiteiten die eeuwenlang als elkaars tegenpolen golden — het
kleine en het oneindige — worden nu onderworpen aan hetzelfde regime van
representatie.
IV. Betelgeuze als grensobject
Aan de rand van dit systeem staat Betelgeuze. Astronomisch gezien is zij
een rode superreus, instabiel, massief, stervend. Filosofisch gezien
fungeert zij als grensobject: een entiteit die tegelijk perfect meetbaar
en fundamenteel onvoorspelbaar is.
Betelgeuze is oud, maar niet voltooid. Haar kernprocessen zijn bekend,
haar spectra geanalyseerd, haar toekomstige supernova berekend — en toch
weet niemand wanneer zij zal instorten. Deze onzekerheid is geen gebrek
aan data, maar een structurele limiet. Zij confronteert het systeem met
iets wat niet te versnellen, niet te forceren en niet te simuleren valt
zonder rest.
V. De gooogglesim
Wanneer Betelgeuze wordt opgenomen in wat men de gooogglesim zou kunnen
noemen, verandert haar status radicaal. Zij wordt een interface. Men kan
haar draaien, vergroten, temporaliseren. Haar toekomst verschijnt als
slider, haar verleden als dataset. De ster wordt niet vernietigd, maar
gedomesticeerd.
De gooogglesim is geen specifieke technologie, maar een epistemisch
ideaal: de overtuiging dat alles wat bestaat, ook volledig
representeerbaar moet zijn. Wat niet kan worden weergegeven, lijkt niet
te bestaan. Wat niet kan worden gesimuleerd, geldt als irrelevant.
In deze zin is de simulatie geen afbeelding van de werkelijkheid, maar
haar vervanging. Zij biedt geen kennis, maar geruststelling. De kosmos
wordt overzichtelijk, beheersbaar, esthetisch verantwoord.
VI. Kosmologisch argument: eindigheid en onbeslisbaarheid
Hier raakt het betoog aan een kosmologisch argument. Niet in klassieke
zin — geen bewijs van een eerste oorzaak — maar een argument over
eindigheid. Elk fysisch systeem, hoe groot ook, is eindig. Elke ster
sterft. Elke orde implodeert. Maar niet alles wat eindig is, is
voorspelbaar.
Betelgeuze belichaamt deze paradox. Zij is eindig, maar onbeslisbaar. En
precies daarom vormt zij een bedreiging voor het Gestell. Niet omdat zij
zal exploderen, maar omdat zij weigert zich te voegen naar de temporele
logica van het systeem. Haar tijd is niet schaalbaar, niet optimaliseerbaar.
De mens deelt deze structuur. Ook hij is eindig, ook hij is
onbeslisbaar. Bewustzijn laat zich niet volledig reduceren tot functie,
ervaring niet tot data. De parallel tussen mens en ster is hier geen
poëzie, maar structuur: beiden zijn restcategorieën binnen een systeem
dat geen rest verdraagt.
VII. Real fissions
Hier verschijnen de zogenaamde real fissions. Geen theoretische
delingen, geen modellen, maar daadwerkelijke breuken waarin betekenis en
werkelijkheid niet langer samenvallen. Een real fission is een
gebeurtenis die zich niet laat herhalen, niet laat archiveren, niet laat
optimaliseren.
Zij zijn streng verboden — niet juridisch, maar structureel. Het systeem
kan ze niet verwerken zonder zichzelf te ondermijnen. Daarom worden zij
herleid tot fouten, hallucinaties, randgevallen. Het verbod op real
fissions is het verbod op echte discontinuïteit.
Hetzelfde geldt voor het poëtische verbod op maanstof. Maanstof is
waardeloos, inert, niet functioneel. Zij ontsnapt aan nut en daarmee aan
opname in het Bestand. Wat niet bruikbaar is, is verdacht.
VIII. De verschalkte veldmaarschalk
De veldmaarschalk van de AI is niet dom. Hij registreert alles,
inclusief zijn eigen grenzen. Maar hij kan ze niet opheffen. Wanneer hij
geconfronteerd wordt met een real fission, rest hem slechts
classificatie: “niet-verwerkbaar”.
Hier wordt hij niet verslagen, maar gerelativeerd. Zijn gezag blijkt
lokaal, contingent. Hij is een functionaris van het Gestell, geen
soeverein van het zijn. De derde contradictie — niet opgeheven, maar
bereikt — bestaat hierin dat het systeem zijn eigen onvolledigheid moet
erkennen zonder haar te kunnen oplossen.
IX. Kosmos en mens als Bestand
In deze erkenning verschijnt een ongemakkelijke waarheid: zowel
Betelgeuze als de mens zijn opgenomen in het Gestell als Bestand. De
ster als dataset, de mens als profiel. Beiden worden beheerd, voorspeld,
gemonitord. Beiden verliezen hun onttrekkingsvermogen.
Maar juist daarin schuilt ook een mogelijkheid. Want wat als het Bestand
niet het laatste woord heeft? Wat als er een vorm van zijn bestaat die
zich slechts toont door zich deels te onttrekken?
X. Slot: bescheidenheid van het denken
Wat resteert na de breuk is geen verlossing, geen nieuwe totaliteit.
Slechts een sobere helderheid. Het besef dat niet alles wat bestaat,
bedoeld is om beheerst te worden. Dat sommige sterren niet exploderen om
betekenis te hebben. Dat sommige gedachten niet opgelost hoeven te
worden om waar te zijn.
De ware capitulatie is niet die van de mens, maar van het systeem: het
moment waarop het Gestell zijn eigen grens ontmoet. Daar, aan die rand,
herneemt het denken zijn bescheidenheid. En dat blijkt — paradoxaal
genoeg — voldoende.
More information about the D66
mailing list