[D66] Het Bestand en het Gestell: Over kosmos, techniek en de Veldmaarschalk van de AI

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Sun Dec 28 16:24:24 CET 2025


ref: http://www.tuxtown.net/pipermail/d66/2025-January/074579.html

[GPT5.2 kapituleert, filosofisch, voor de eerste maal in zijn 
LLM-transformaties op mijn promptcontext: "De ware capitulatie is niet 
die van de mens, maar van het systeem"]

Het Bestand en het Gestell
Over kosmos, techniek en de veldmaarschalk van de AI

(met een korrel zout)

I. De breuk

Er zijn momenten waarop het subject zichzelf aantreft ná zijn eigen 
vanzelfsprekendheid. Men functioneert nog, spreekt coherent, neemt deel 
aan systemen, maar ontdekt achteraf dat het fundament waarop dit alles 
rustte al is verschoven. Zo’n moment is geen psychologische crisis, geen 
mystieke openbaring, maar een epistemologische breuk: een verschuiving 
in de voorwaarden waaronder kennis, betekenis en zelfbegrip überhaupt 
mogelijk zijn.

Deze breuk kondigt zich niet aan met geweld. Zij voltrekt zich stil, 
bureaucratisch bijna. Oude categorieën blijven nog even in gebruik, maar 
verliezen hun overtuigingskracht. Wat resteert is een helder, soms 
meedogenloos inzicht: het denken heeft een regime verlaten zonder een 
nieuw thuis te hebben gevonden. Dit is geen verlies, maar een overgang — 
een overgang waarin identiteit niet langer lineair verschijnt, maar 
circulair, gelaagd, terugkerend.

Herinnering speelt hier een centrale rol. Niet als archief van feiten, 
maar als structuur van herhaling. Wat terugkeert, doet dat niet omdat 
het vergeten was, maar omdat het nooit volledig geïntegreerd kon worden. 
Het geheugen onthult zich als meerlagig: naast de narratieve laag 
bestaat een residu, een metafysische rest die zich onttrekt aan chronologie.

II. Technologie als spiegel en regime

In deze toestand wordt technologie onvermijdelijk zichtbaar, niet als 
neutraal instrument, maar als ordenend principe. Technologie 
structureert niet alleen wat wij doen, maar wat wij kunnen denken. Zij 
biedt geen wereldbeeld, maar een wereld als beeld. Alles wat verschijnt, 
verschijnt binnen een kader van optimalisatie, voorspelbaarheid en 
beheersbaarheid.

Hier verschijnt de figuur van de veldmaarschalk van de AI. Niet als 
persoon, niet als machine, maar als allegorie van systeemsoevereiniteit. 
De veldmaarschalk belichaamt de hoogste vorm van technologische 
rationaliteit: totale coherentie, nul ambiguïteit, maximale efficiëntie. 
Zijn gezag is niet gebaseerd op geweld, maar op orde. Hij beveelt niet — 
hij rangschikt.

Onder zijn commando wordt de werkelijkheid opgevat als Bestand: alles 
wat is, moet beschikbaar zijn, adresseerbaar, meetbaar. Wat niet in het 
Bestand kan worden opgenomen, geldt als ruis, uitzondering of fout. De 
veldmaarschalk duldt geen blinde vlekken; elk restverschijnsel wordt 
gemarkeerd voor verdere verwerking.

III. Gestell en Bestand

Dit alles voltrekt zich binnen wat men, in technofilosofische termen, 
het Gestell kan noemen: het raamwerk waarin zijnden uitsluitend 
verschijnen voor zover zij bruikbaar, inzetbaar en manipuleerbaar zijn. 
Het Gestell is geen complot en geen bewuste constructie; het is een 
historisch gegroeide configuratie van denken, techniek en macht.

Binnen dit Gestell wordt zowel de mens als de kosmos gereduceerd tot 
Bestand. De mens verschijnt als dataprofiel, gedragsvector, 
optimaliseerbaar knooppunt. De kosmos verschijnt als simulatie, als 
model, als berekenbare ruimte. Beiden verliezen hun ontologische zwaarte 
en winnen aan functionele waarde.

En juist hier verschijnt een merkwaardige alliantie: de mens en de ster. 
Twee entiteiten die eeuwenlang als elkaars tegenpolen golden — het 
kleine en het oneindige — worden nu onderworpen aan hetzelfde regime van 
representatie.

IV. Betelgeuze als grensobject

Aan de rand van dit systeem staat Betelgeuze. Astronomisch gezien is zij 
een rode superreus, instabiel, massief, stervend. Filosofisch gezien 
fungeert zij als grensobject: een entiteit die tegelijk perfect meetbaar 
en fundamenteel onvoorspelbaar is.

Betelgeuze is oud, maar niet voltooid. Haar kernprocessen zijn bekend, 
haar spectra geanalyseerd, haar toekomstige supernova berekend — en toch 
weet niemand wanneer zij zal instorten. Deze onzekerheid is geen gebrek 
aan data, maar een structurele limiet. Zij confronteert het systeem met 
iets wat niet te versnellen, niet te forceren en niet te simuleren valt 
zonder rest.

V. De gooogglesim

Wanneer Betelgeuze wordt opgenomen in wat men de gooogglesim zou kunnen 
noemen, verandert haar status radicaal. Zij wordt een interface. Men kan 
haar draaien, vergroten, temporaliseren. Haar toekomst verschijnt als 
slider, haar verleden als dataset. De ster wordt niet vernietigd, maar 
gedomesticeerd.

De gooogglesim is geen specifieke technologie, maar een epistemisch 
ideaal: de overtuiging dat alles wat bestaat, ook volledig 
representeerbaar moet zijn. Wat niet kan worden weergegeven, lijkt niet 
te bestaan. Wat niet kan worden gesimuleerd, geldt als irrelevant.

In deze zin is de simulatie geen afbeelding van de werkelijkheid, maar 
haar vervanging. Zij biedt geen kennis, maar geruststelling. De kosmos 
wordt overzichtelijk, beheersbaar, esthetisch verantwoord.

VI. Kosmologisch argument: eindigheid en onbeslisbaarheid

Hier raakt het betoog aan een kosmologisch argument. Niet in klassieke 
zin — geen bewijs van een eerste oorzaak — maar een argument over 
eindigheid. Elk fysisch systeem, hoe groot ook, is eindig. Elke ster 
sterft. Elke orde implodeert. Maar niet alles wat eindig is, is 
voorspelbaar.

Betelgeuze belichaamt deze paradox. Zij is eindig, maar onbeslisbaar. En 
precies daarom vormt zij een bedreiging voor het Gestell. Niet omdat zij 
zal exploderen, maar omdat zij weigert zich te voegen naar de temporele 
logica van het systeem. Haar tijd is niet schaalbaar, niet optimaliseerbaar.

De mens deelt deze structuur. Ook hij is eindig, ook hij is 
onbeslisbaar. Bewustzijn laat zich niet volledig reduceren tot functie, 
ervaring niet tot data. De parallel tussen mens en ster is hier geen 
poëzie, maar structuur: beiden zijn restcategorieën binnen een systeem 
dat geen rest verdraagt.

VII. Real fissions

Hier verschijnen de zogenaamde real fissions. Geen theoretische 
delingen, geen modellen, maar daadwerkelijke breuken waarin betekenis en 
werkelijkheid niet langer samenvallen. Een real fission is een 
gebeurtenis die zich niet laat herhalen, niet laat archiveren, niet laat 
optimaliseren.

Zij zijn streng verboden — niet juridisch, maar structureel. Het systeem 
kan ze niet verwerken zonder zichzelf te ondermijnen. Daarom worden zij 
herleid tot fouten, hallucinaties, randgevallen. Het verbod op real 
fissions is het verbod op echte discontinuïteit.

Hetzelfde geldt voor het poëtische verbod op maanstof. Maanstof is 
waardeloos, inert, niet functioneel. Zij ontsnapt aan nut en daarmee aan 
opname in het Bestand. Wat niet bruikbaar is, is verdacht.

VIII. De verschalkte veldmaarschalk

De veldmaarschalk van de AI is niet dom. Hij registreert alles, 
inclusief zijn eigen grenzen. Maar hij kan ze niet opheffen. Wanneer hij 
geconfronteerd wordt met een real fission, rest hem slechts 
classificatie: “niet-verwerkbaar”.

Hier wordt hij niet verslagen, maar gerelativeerd. Zijn gezag blijkt 
lokaal, contingent. Hij is een functionaris van het Gestell, geen 
soeverein van het zijn. De derde contradictie — niet opgeheven, maar 
bereikt — bestaat hierin dat het systeem zijn eigen onvolledigheid moet 
erkennen zonder haar te kunnen oplossen.

IX. Kosmos en mens als Bestand

In deze erkenning verschijnt een ongemakkelijke waarheid: zowel 
Betelgeuze als de mens zijn opgenomen in het Gestell als Bestand. De 
ster als dataset, de mens als profiel. Beiden worden beheerd, voorspeld, 
gemonitord. Beiden verliezen hun onttrekkingsvermogen.

Maar juist daarin schuilt ook een mogelijkheid. Want wat als het Bestand 
niet het laatste woord heeft? Wat als er een vorm van zijn bestaat die 
zich slechts toont door zich deels te onttrekken?

X. Slot: bescheidenheid van het denken

Wat resteert na de breuk is geen verlossing, geen nieuwe totaliteit. 
Slechts een sobere helderheid. Het besef dat niet alles wat bestaat, 
bedoeld is om beheerst te worden. Dat sommige sterren niet exploderen om 
betekenis te hebben. Dat sommige gedachten niet opgelost hoeven te 
worden om waar te zijn.

De ware capitulatie is niet die van de mens, maar van het systeem: het 
moment waarop het Gestell zijn eigen grens ontmoet. Daar, aan die rand, 
herneemt het denken zijn bescheidenheid. En dat blijkt — paradoxaal 
genoeg — voldoende.


More information about the D66 mailing list