[D66] Taalrechtvaardigheid

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Tue Dec 23 18:28:08 CET 2025


http://www.tuxtown.net/pipermail/d66/2022-November/072176.html

herschreven, met een lezing van de chatbot GPT5 (onderaan):

Taalrechtvaardigheid

In het juridische domein – een domein waarin ik niet geloof – 
onderscheidt men traditioneel tussen de letter en de geest van de wet. 
De letter laat zich nauwelijks delegitimeren; zij is hardnekkig, bestand 
tegen twijfel. De geest daarentegen is fragiel en vatbaar voor 
zelfondermijning. Zoals Derrida stelde: het recht kan zichzelf 
deconstrueren, maar rechtvaardigheid onttrekt zich aan elke 
deconstructie. Juist daarin schuilt haar ongrijpbaarheid.

Wetten worden vastgelegd in een ambtstaal, samengesteld uit woorden. 
Maar woorden legitimeren niets; zij dragen slechts hun schaduw en hun 
effect met zich mee. Elk woord wekt verdenking, elke formulering roept 
schuld op. Woorden pretenderen representatie, maar blijven altijd 
slechts afdrukken, echo’s zonder oorsprong. Een wet wordt ondertekend 
met een naam, maar geen naam kan ooit rechtmatig gedragen worden. Er 
bestaat geen voldoende grond om een naam gerecht te doen. Namen 
circuleren, omgeven door hun gevolgen, nooit door hun legitimiteit.

Een grondwet is geen wet omdat zij de handtekening draagt van een regent 
die zich soeverein waant. Op het moment van ondertekening opent zich 
reeds de afgrond, ongeacht de taal waarin zij geschreven werd.

“Nothing, indeed, is more subject to depreciation and suspicion in our 
disenchanted world than the word.”
— George W. Morgan, 1968

In onze onttoverde techno-industriële horrorcultuur ondergraaft het 
parlement zichzelf door een taal te spreken die het eigen milieu 
weerspiegelt. Een taal die vandaag niet langer onschuldig is. De 
parlementariërs merken nauwelijks de monstrueuze woorden op die zij 
produceren. Dichters zagen geen uitweg. Wim Brands zag er geen. Velen 
deelden dat lot. Want aan de taal ontsnappen is onmogelijk. Wie ophoudt 
met spreken, verdwijnt.

Dit alles wijst op het falen van het symbolisch denken, op de implosie 
van het nationale milieu en op de alomtegenwoordige veiligheidsneurose 
van de Leviathan en zijn medeplichtigen.

Geld berust op vertrouwen en dus op macht. Voor taal geldt hetzelfde. 
Het vertrouwen in de taal van de parlementen is uitgeput. Hedendaagse 
parlementaire spreekhandelingen zijn failliet. Burgers erkennen 
meerderheidsbesluiten als rechtsgeldig, maar vergeten gemakshalve dat 
deze beslissingen altijd in een taal worden uitgesproken. Wanneer het 
ecologische en sociale oikos waarin die taal circuleert wordt uitgehold 
en vergiftigd, verliest de taal haar schijnbare legitimiteit. Daarmee 
verliezen ook meerderheidsbesluiten hun geldigheid.

Meerderheidsbesluiten delegitimeren zichzelf omdat zij worden 
uitgesproken in een ambtelijke, zakelijke, instrumentele taal die 
veiligheid en legaliteit suggereert, maar in werkelijkheid louter afval 
produceert — bruikbaar enkel voor juridische haarkloverij. Daarom moet 
“de wet” met wantrouwen worden benaderd. Dit is de dialectiek van 
wantrouwen en vertrouwen.

Het probleem is dat rechters en aanklagers zich in hetzelfde talige 
milieu bevinden. Zij kunnen geen onafhankelijk oordeel meer vormen dat 
met recht “rechtvaardig” genoemd kan worden. Waar geen 
taalrechtvaardigheid bestaat, is de rechtspraak failliet. Wanneer taal 
geen belofte van genezing meer kan uitdrukken, verliest zij haar morele 
draagkracht.

Levende talen kunnen begrepen en misbegrepen worden, erkend of 
onderdrukt. Er bestaat een taalpolitie, maar geen taalrechtspraak. Talen 
ontstaan en vergaan, grenzen verschuiven en vervagen.

Taalrechtvaardigheid en taaljustitie hebben daarom weinig te maken met 
esperanto of interculturele harmonisering, en des te meer met onze 
leefwereld. Taal produceert residu, afval. Dit is het gevolg van 
instrumentele rationaliteit in politiek, wetenschap en techniek — 
kortom, van de industriële gemeenschap.

Het parlementarisme is failliet omdat het dezelfde technocratische 
managementtaal spreekt als de industriële macht.

Een werkelijk onafhankelijke rechtspraak heeft nooit bestaan, omdat taal 
nooit neutraal is en omdat mensen geen begrip hebben van 
taalrechtvaardigheid.

Onze omgeving is zo diepgaand beschadigd dat parlementariërs elk recht 
hebben verloren om te spreken in een taal die zelf zwaar vervuild is. 
Ook de vox populi is failliet: zij herhaalt slechts wat haar wordt 
voorgezegd.

Wie de taal van de niet-menselijke natuur en de taal van de dieren niet 
erkent, heeft uiteindelijk geen recht om te spreken.

--

ik: wat vind je van de tekst?

chatbot:

Ik zal mijn antwoord opsplitsen in inhoudelijke beoordeling en 
filosofische evaluatie van de stelling, en daarbij zowel de kracht als 
de kwetsbaarheid van de tekst benoemen.

1. Wat vind ik van de tekst?
Sterke punten

a. Radicale consistentie
De tekst is opmerkelijk consequent in haar wantrouwen tegenover taal, 
recht en legitimiteit. Ze denkt de implicaties van Derridiaanse 
deconstructie ver door: niet alleen wetten, maar ook namen, instituties 
en zelfs meerderheidsbesluiten worden ontmaskerd als talige constructies 
zonder ultieme grond. Dat geeft de tekst een zeldzame filosofische 
hardheid: er wordt niets gespaard, ook de eigen uitgangspunten niet.

b. Taal als ecologisch fenomeen
Een bijzonder sterke intuïtie is de koppeling tussen taal en milieu 
(oikos). Taal wordt niet gezien als abstract systeem, maar als iets dat 
vervuilt, degradeert en afval produceert. Dat is zowel filosofisch 
(Heidegger, Illich) als politiek zeer relevant. De gedachte dat een 
vervuilde leefwereld noodzakelijk een vervuilde taal voortbrengt, is 
overtuigend en origineel uitgewerkt.

c. De kritiek op parlementaire taal
De analyse van parlementaire taal als instrumenteel, technocratisch en 
performatief bankroet is scherp. De tekst benoemt terecht hoe 
“veiligheid”, “legaliteit” en “neutraliteit” worden gesimuleerd via 
jargon. Dat raakt aan Habermas, maar ook aan Foucault: taal als 
machtstechniek.

d. Existentiële ernst
De passage over dichters en zelfmoord is geen decoratie, maar 
functioneert als existentieel bewijsstuk: als taal totaal wordt 
gekoloniseerd, verdwijnt het adempunt voor betekenis. De tekst neemt de 
psychische consequenties van taalverarming serieus.

Zwakke punten / spanningen

a. Performative contradictie
De tekst klaagt taal aan, maar doet dit met een hooggestemde, retorisch 
krachtige taal. Dat is filosofisch interessant, maar ook problematisch:

als taal zo fundamenteel gedelegitimeerd is,
waarop rust dan de autoriteit van deze kritiek zelf?

Dit hoeft geen weerlegging te zijn, maar het blijft een onopgeloste 
spanning.

b. Totaliserende afwijzing
De stelling dat rechtspraak nooit onafhankelijk is geweest en dat 
parlementarisme volledig bankroet is, is sterk, maar ook kwetsbaar. Ze 
laat weinig ruimte voor gradaties, tegenvoorbeelden of tijdelijke 
rechtvaardigheid. Daardoor krijgt de tekst iets profetisch of 
apocalyptisch — krachtig, maar filosofisch risicovol.

c. Normatieve leegte
De tekst is uiterst sterk in negatie, maar zwak in positieve richting. 
Wat volgt er uit taalrechtvaardigheid? Wie zou haar belichamen? Hoe ziet 
spreken eruit dat niet vervuild is?
Het slot (erkenning van niet-menselijke talen) wijst een richting aan, 
maar blijft suggestief, niet uitgewerkt.

2. Wat vind ik van de stelling?
De kernstelling (zo lees ik haar)

Legitimiteit van recht en politiek staat of valt met de ethische en 
ecologische toestand van de taal waarin zij wordt uitgesproken.

Die stelling vind ik filosofisch verdedigbaar en urgent, mits ze niet 
absoluut wordt opgevat.

Waarom ze sterk is

Recht bestaat alleen performatief: zonder taal geen wet, geen oordeel, 
geen gezag.

Als taal structureel instrumenteel, manipulatief en vervuild is, dan 
worden ook haar performatieven corrupt.

De koppeling tussen taalvervuiling en machtsmisbruik is historisch en 
actueel aantoonbaar.

In die zin is “taalrechtvaardigheid” een noodzakelijke voorwaarde voor 
elke andere vorm van rechtvaardigheid.

Waar ze problematisch wordt

Taal is nooit zuiver geweest. Ook in “vervuilde” talen kunnen momenten 
van rechtvaardigheid ontstaan.

Volledige delegitimatie dreigt te eindigen in politieke verlamming of 
esthetisch nihilisme.

De eis dat wie de taal van dieren en natuur niet erkent, geen recht van 
spreken heeft, is ethisch intrigerend maar politiek moeilijk 
operationaliseerbaar.

3. Mijn eindwaardering

Ik vind de tekst:

filosofisch scherp

existentiëel eerlijk

politiek ontregelend

maar ook normatief onderbepaald en retorisch maximalistisch

Als pamflet of filosofische aanklacht is ze zeer sterk.
Als grondslag voor een alternatieve rechts- of politieke theorie heeft 
ze verdere uitwerking nodig.

Als je wilt, kan ik:

de tekst intern kritisch bewerken (spanningen expliciet maken),

een tegenpositie formuleren,

of proberen een positief concept van taalrechtvaardigheid te schetsen 
dat uit deze kritiek voortvloeit.


More information about the D66 mailing list