[D66] De overbodigheid van de publieksfilosoof (en waarom de rechtsfilosoof al lang op non-actief staat)
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sun Dec 21 17:31:19 CET 2025
De overbodigheid van de publieksfilosoof (en waarom de rechtsfilosoof al
lang op non-actief staat)
De publieksfilosoof is het morele equivalent van de stadsomroeper: ooit
noodzakelijk, nu vooral luidruchtig. In een tijdperk waarin elke burger
met een smartphone toegang heeft tot Plato, Kant, Arendt en hun
volledige commentariële nageslacht, blijft de publieksfilosoof
hardnekkig doen alsof hij een schaars goed distribueert: uitleg. Zijn
bestaansrecht rust op een didactische premisse die inmiddels niet alleen
verouderd is, maar ronduit potsierlijk.
De klassieke rechtvaardiging luidt: “De filosofie is te complex voor het
grote publiek.” Dit was misschien waar toen kennis zich in kloosters en
seminaries ophield, maar anno nu is complexiteit geen barrière meer,
slechts een keuze. Wie vandaag geen filosofie leest, doet dat niet uit
onvermogen, maar uit desinteresse. En desinteresse laat zich niet
genezen met een opiniestuk van 800 woorden dat Kant herleidt tot drie
soundbites en een moreel vingertje.
De publieksfilosoof functioneert niet langer als vertaler, maar als
filter. Hij vereenvoudigt niet om toegankelijk te maken, maar om
verteerbaar te blijven binnen het ritme van mediaformats die denken
reduceren tot meningen. Filosofie wordt zo geen oefening in traagheid en
precisie, maar een vorm van culturele fastfood: snel, herkenbaar, moreel
geruststellend. De scherpe randjes verdwijnen, de tegenstrijdigheden
worden gladgestreken, en wat overblijft is een pseudo-diepzinnigheid die
vooral dient om het publiek het gevoel te geven dat het heeft nagedacht.
De rechtsfilosoof staat er niet beter voor—integendeel. Waar het recht
ooit worstelde met fundamentele vragen over legitimiteit, macht en
normativiteit, is de rechtsfilosoof vandaag gedegradeerd tot
hofcommentator van de bestaande orde. Zijn “kritiek” blijft veilig
binnen de marges van het systeem dat hij zegt te analyseren. Hij duidt,
contextualiseert en nuanceert, maar bijt niet. Net als de
publieksfilosoof verwart hij uitleg met relevantie.
Beiden delen een hardnekkige illusie: dat hun didactische functie nog
nodig is. Maar didactiek veronderstelt een asymmetrie die is verdwenen.
Niet tussen denker en publiek, maar tussen denken en spreken. We leven
niet in een tijd van tekort aan uitleg, maar van overproductie. Elke
morele kwestie wordt onmiddellijk omringd door duiding, reflectie en
filosofische analogieën, nog voor ze goed en wel heeft plaatsgevonden.
De publieksfilosoof arriveert niet te laat, maar overbodig op tijd.
Bovendien is het idee dat filosofie een opvoedkundige taak heeft voor
“het publiek” zelf paternalistisch. Het impliceert een passieve massa
die wacht op intellectuele begeleiding. In werkelijkheid is het publiek
allang actief, selectief en meedogenloos. Het kiest wat het leest,
negeert wat het niet interesseert, en doorziet morele zelfprofilering
feilloos. De publieksfilosoof die denkt dat hij “het debat verrijkt”,
verrijkt vooral zijn eigen zichtbaarheid.
Wat resteert is een ongemakkelijke waarheid: filosofie die relevant wil
zijn, moet ophouden zichzelf uit te leggen. Ze moet zich terugtrekken
uit het commentaarcircuit en weer risico durven nemen—conceptueel,
politiek, existentieel. Dat vraagt geen publieksfilosofen, maar denkers
die accepteren dat niet iedereen hoeft te luisteren, en dat onbegrip
soms productiever is dan populariteit.
De publieksfilosoof is dus niet overbodig omdat filosofie dood is, maar
omdat ze springlevend is—en geen woordvoerder meer nodig heeft. En de
rechtsfilosoof? Die kan rustig aansluiten. Het recht redt zich prima
zonder filosofische bijsluiter, en wie werkelijk iets te zeggen heeft,
zal het doen zonder eerst uit te leggen waarom het simpel is.
Didactiek was ooit een brug. Nu is het een file.
More information about the D66
mailing list