[D66] Wanneer de sterren ons niet langer verlichten: astronomie als bron van existentieel horror

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Sun Dec 21 15:37:17 CET 2025


[krijg hier maar eens een speld tussen...]

Wanneer de sterren ons niet langer verlichten: astronomie als bron van 
existentieel horror

Eeuwenlang fungeerde de astronomie als een intellectueel kompas. Zij 
ordende de hemel, temde de nacht en gaf de mens een plaats in een kosmos 
die, hoe groot ook, begrijpelijk leek. Van Ptolemaeus’ kristallen sferen 
tot Newtons mechanische universum bood de sterrenkunde een verheffend 
perspectief: wij leefden in een rationeel geheel, bestuurd door wetten 
die ons verstand kon doorgronden. Maar ergens tussen Hubble en Hawking, 
tussen de ontdekking van het uitdijende heelal en de hypothese van de 
warmtedood, heeft deze discipline een duistere wending genomen. 
Astronomie is steeds minder een bron van verlichting geworden en steeds 
meer een katalysator van existentieel horror.

Die verschuiving is niet louter emotioneel; zij is epistemologisch. De 
Copernicaanse revolutie onttronde de aarde, maar schonk haar tegelijk 
een nieuwe waardigheid: als deel van een elegant systeem. Zelfs de 
ontzagwekkende leegten tussen planeten en sterren werden getemd door 
berekening en wetmatigheid. Het universum was groot, maar niet vijandig; 
onpersoonlijk, maar niet absurd. In de twintigste en eenentwintigste 
eeuw is dat evenwicht verbroken. Wat de moderne astronomie onthult, is 
geen kosmos die zich langzaam voor ons opent, maar een afgrond die zich 
steeds verder verwijdert naarmate wij haar beter begrijpen.

Neem de schaal. Niet alleen is het universum immens; het is 
onvoorstelbaar immens. Het waarneembare heelal omvat honderden miljarden 
sterrenstelsels, elk met honderden miljarden sterren. Dit is geen 
kwantitatieve uitbreiding van eerdere inzichten, maar een kwalitatieve 
breuk. De menselijke maat verdampt. Waar de Verlichting nog kon geloven 
dat kennis gelijkstond aan beheersing, confronteert de hedendaagse 
astronomie ons met het besef dat begrip geen troost biedt. Integendeel: 
hoe nauwkeuriger onze metingen, hoe radicaler onze irrelevantie.

Daarbij komt de tijdsdimensie. Astronomische tijd is geen verlengde van 
menselijke geschiedenis, maar haar ontkenning. De levensduur van 
sterren, de cycli van sterrenstelsels, de miljarden jaren die nodig zijn 
voor kosmische structuren om te ontstaan of te verdwijnen, reduceren de 
menselijke ervaring tot een statistische rimpeling. Zelfs catastrofes 
die ons apocalyptisch lijken—een supernova, een gammaflits—zijn in 
kosmische termen routineuze gebeurtenissen. Horror ontstaat hier niet 
uit dreiging, maar uit onverschilligheid. Het universum is niet 
kwaadaardig; het is erger: het is totaal onbewogen.

De ontdekking van donkere materie en donkere energie verdiept dit 
gevoel. Het grootste deel van de kosmos bestaat uit iets wat wij niet 
kunnen zien, nauwelijks kunnen detecteren en niet begrijpen. De 
realiteit blijkt grotendeels opgebouwd uit het onkenbare. Waar de 
klassieke astronomie de illusie bood dat de hemel uiteindelijk 
transparant zou worden voor het menselijk verstand, toont de moderne 
kosmologie dat onwetendheid geen tijdelijk manco is, maar een 
structureel kenmerk van onze positie. Wij leven in een universum dat 
voor het overgrote deel principieel duister is—letterlijk en figuurlijk.

Hier raakt de astronomie aan het terrein van het existentieel horror, 
zoals verwoord door denkers en schrijvers van Pascal tot Lovecraft. 
Pascal huiverde al voor “de eeuwige stilte van deze oneindige ruimten”, 
maar hij kon zich nog vastklampen aan God als transcendente garantie. De 
hedendaagse astronomie ontneemt ons ook dat toevluchtsoord. Zij 
suggereert geen verborgen orde die op ons wacht, geen kosmisch narratief 
waarin de mens een betekenisvolle rol speelt. Zelfs de mogelijkheid van 
buitenaards leven—ooit een romantische droom—werkt nu vervreemdend. 
Ofwel wij zijn alleen in een onmetelijke leegte, een kosmisch ongeluk 
zonder publiek; ofwel het universum wemelt van leven dat ons negeert, 
overschaduwt of allang heeft overleefd.

De beruchte Fermi-paradox is hier symptomatisch. Het zwijgen van het 
heelal is geen geruststelling, maar een dreigende vraag. Waarom zien wij 
niets? Zijn beschavingen zeldzaam en fragiel? Of zijn zij talrijk, maar 
gedoemd tot zelfvernietiging? In beide gevallen fungeert astronomie als 
spiegel van onze sterfelijkheid, niet alleen biologisch maar 
civilisationeel. De sterren vertellen geen verhaal van vooruitgang, maar 
van vergankelijkheid.

Zelfs de toekomst van het universum biedt geen catharsis. De hypothese 
van de warmtedood—een kosmos die eindigt in maximale entropie, waar geen 
arbeid, geen verschil en geen leven meer mogelijk is—transformeert de 
eschatologie tot een koude, trage uitblussing. Dit is geen apocalyps met 
vuur en oordeel, maar een eindeloze, betekenisloze afkoeling. Horror 
ontstaat hier uit banaliteit: het einde van alles als thermodynamisch 
bijproduct.

Men zou kunnen tegenwerpen dat deze angst voortkomt uit een romantische 
misvatting, dat het universum ons niets verschuldigd is. Dat is juist, 
maar het punt is subtieler. Astronomie confronteert ons niet alleen met 
het ontbreken van kosmische zorg, maar met het failliet van onze 
traditionele betekeniskaders. De wetenschap, ooit bondgenoot van de 
menselijke emancipatie, wordt hier een ontmaskeraar. Zij toont dat onze 
waarden, doelen en verhalen lokaal zijn, tijdelijk en waarschijnlijk 
irrelevant buiten een minuscuul deel van ruimte-tijd.

En toch schuilt hierin een paradox. Juist omdat astronomie zo 
meedogenloos is, dwingt zij ons tot een radicale herwaardering van 
betekenis. Als de kosmos geen zin garandeert, dan ligt de 
verantwoordelijkheid volledig bij ons. Het horror-element—de 
duizelingwekkende afgrond van schaal, tijd en onverschilligheid—kan 
verlammend werken, maar ook bevrijdend. In een universum zonder vooraf 
gegeven doel wordt elke vorm van menselijke solidariteit, creativiteit 
en ethiek des te kostbaarder.

Maar laten we eerlijk zijn: die troost is fragiel. Zij staat niet in de 
sterren geschreven. De hedendaagse astronomie fluistert ons geen 
geruststellende waarheden toe; zij staart ons aan met koude, 
mathematische ogen. Waar zij ooit de hemel ordende om de mens te 
verheffen, onthult zij nu een kosmos waarin verheffing een menselijke 
projectie is. Verlichting heeft plaatsgemaakt voor inzicht, en inzicht 
voor ontzetting.

Misschien is dat haar uiteindelijke les. Niet dat wij niets betekenen, 
maar dat betekenis geen kosmisch gegeven is. De horror die de moderne 
astronomie oproept, is geen afwijking van haar succes, maar het directe 
gevolg ervan. Hoe verder wij kijken, hoe minder de sterren ons 
toezingen—en hoe luider de stilte wordt waarin wij onszelf moeten leren 
verstaan.


More information about the D66 mailing list