[D66] Rommel als redding – Waarom Luik nog leeft en Nederland al dood is
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sat Mar 28 19:33:48 CET 2026
Rommel als redding – Waarom Luik nog leeft en Nederland al dood is
In de uitgestrekte polders van Nederland, waar de horizon zich eindeloos
uitstrekt als een lineaal over een landkaart van perfectie, ontwaart men
een samenleving die haar ziel heeft verkocht aan de tirannie van het
protocol. Niet de wilde, ongetemde protocollen van de natuur, maar de
kille, geadministreerde varianten die elke ademtocht, elke dood en elke
bloei tot een dossier reduceren. Van het potvissenprotocol – dat
magistrale symbool van Nederlandse verdorvenheid – tot de laatste
voorschriften voor de plaatsing van een tuinstoel in een achtertuin van
zes vierkante meter: alles is vastgelegd, genummerd, goedgekeurd en
nageharkt. Hier is de staat niet langer een dienaar van de burger, maar
een alomtegenwoordige, fluwelen dictator die orde verheft tot de hoogste
morele deugd. En in die orde schuilt de verdorvenheid: een moreel verval
dat niet schreeuwt, maar fluistert in spreadsheets en beleidsnotities,
een verval dat de mens reduceert tot een functioneel onderdeel van een
machine die zichzelf steeds efficiënter smeert met regels.
Neem het potvissenprotocol, dat meesterwerk van bureaucratische poëzie.
Wanneer een potvis, dat oeroude symbool van ongetemde oceaan en
mythische diepte, aangespoeld ligt op een Nederlands strand, breekt geen
tragedie los, geen collectieve rouw om de vergankelijkheid van het
leven, geen spontane bijeenkomst van dichters en vissers die het kadaver
bezingen als een gevallen god. Nee, er wordt een draaiboek geraadpleegd.
Het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek, de Dienst Landelijk Gebied,
de lokale brandweer, de milieu-inspectie en een coördinator van het
ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit komen in actie
volgens paragraaf 4.2.1 tot en met 7.8.9. Monsters worden genomen,
euthanasie wordt overwogen als het dier nog leeft – want pijn mag niet,
maar alleen volgens de richtlijn Pijnstilling bij Cetacea – en het
kadaver wordt getransporteerd naar een verwerkingslocatie waar de
vetlaag wordt geanalyseerd op PCB’s en de botten op mineralen. Alles
netjes, alles veilig, alles zonder verrassing. De potvis sterft niet als
een vrij wezen; hij sterft als een casus. En in die reductie schuilt de
kern van de Nederlandse verdorvenheid: de ontzieling van het
uitzonderlijke. Wat ooit een wonder was, wordt een project. Wat ooit
chaos was, wordt een Excel-sheet. De Nederlander kijkt ernaar en knikt
goedkeurend: “Zo hoort het.”
Deze mentaliteit sijpelt door tot in het kleinste tuintje. Want
Nederland is een land van tuintjes, en die tuintjes zijn aangeharkt.
Niet zomaar aangeharkt, maar met een precisie die aan het obsessieve
grenst. Elke grasspriet staat in het gelid, elke heg is gesnoeid op de
millimeter, elke borderscheiding is een diplomatiek verdrag tussen
buren. De Gouden Gids van de Nederlandse tuincentra adverteert niet met
schoonheid, maar met onderhoudsprotocollen: “Week 12: bemesting volgens
NPK-ratio 8-4-12, bij voorkeur op een droge dinsdag na 10 uur.” Wie
afwijkt, krijgt een anonieme brief van de buurtvereniging of, erger nog,
een handhavingsbevel van de gemeente. De tuin is geen verlengstuk van de
ziel, maar een visitekaartje van de burgerplicht. Hier heerst de
calvinistische erfenis in haar meest perverse, seculiere vorm: niet
langer God die oordeelt over zonde, maar de buren die oordelen over
onkruid. De verdorvenheid zit hem in deze verinnerlijking: de
Nederlander is niet onderdrukt door een koning of een dictator, maar
door zijn eigen spiegelbeeld in het gelakte tuinhek. Hij is vrij, maar
alleen binnen de lijnen van het protocol. En die lijnen zijn overal.
Men zou denken dat dit een recente aberratie is, een uitwas van de
moderne administratieve staat. Maar de wortels liggen dieper, in de
polder zelf. Nederland is geboren uit water en consensus. De dijken
waren niet alleen technisch meesterwerk, ze waren een school in
onderhandelen: iedereen moest mee, anders zonk iedereen. Dat
poldermodel, ooit een overlevingsstrategie, is verworden tot een
ideologie van de middelmaat. In Den Haag vergadert men tot de dood erop
volgt, niet omdat er echte conflicten zijn, maar omdat conflict zelf als
pathologisch wordt gezien. De Tweede Kamer debatteert niet over visies,
maar over amendementen op amendementen op protocollen. De burger kijkt
toe via de NOS en denkt: “Gelukkig is alles geregeld.” Maar wat is
geregeld? De vrijheid om te ademen zonder formulier? Nee. De vrijheid om
te falen zonder consequentie? Nee. Wat geregeld is, is de illusie van
controle. En in die illusie ligt de verdorvenheid: een samenleving die
haar burgers heeft wijsgemaakt dat geluk een KPI is, meetbaar in
tevredenheidsscores van het Sociaal en Cultureel Planbureau.
Kijk naar de dagelijkse realiteit. Een Nederlander die een schuur wil
bouwen in zijn achtertuin – een schuur van drie bij vier meter – moet
eerst een omgevingsvergunning aanvragen via het Omgevingsloket Online.
Daar vult hij in: oppervlakte, materiaal, isolatiewaarde, CO2-footprint,
en of de schuur “inclusief” is voor mindervaliden. Vervolgens volgt een
bezwaartermijn van zes weken waarin de buren kunnen protesteren tegen
“visuele hinder”. Als alles akkoord is, komt de bouwinspecteur langs met
een checklist van 47 punten. Intussen betaalt men leges die hoger zijn
dan de materiaalkosten. Dit is geen uitzondering; dit is de norm. Van de
plaatsing van een vlaggenmast tot de kleur van de voordeur: alles valt
onder een bestemmingsplan dat is opgesteld door ambtenaren die nooit een
hamer hebben vastgehouden. De verdorvenheid zit hem in de normalisering
van deze waanzin. De Nederlander klaagt niet meer; hij internaliseert
het. Hij zegt: “Ach, regels zijn er voor iedereen.” Maar regels zijn er
niet voor iedereen. Regels zijn er voor de zwakken, de creatieven, de
dromers. De sterken, de insiders, degenen die het spel kennen, vinden
altijd een protocol dat hen vrijwaart.
Deze staat van verdorvenheid strekt zich uit tot de cultuur zelf.
Nederlandse kunst is gesubsidieerd, maar alleen als ze past binnen de
beleidsnota “Cultuur in de Polder 2025-2030”. Een schilder die een naakt
portretteert, moet een risicoanalyse maken op genderneutraliteit. Een
schrijver die de multiculturele samenleving bekritiseert, krijgt geen
beurs omdat hij niet “inclusief” genoeg is. Theaterstukken worden
geregisseerd met een “veiligheidsprotocol” voor triggers. De ironie is
moordend: een land dat ooit de bakermat was van Rembrandt en Vermeer,
van de vrije drukpers en de Verlichting, is nu bang voor een scheve lijn
in een schilderij. De literatuur is beleefd, de poëzie is therapeutisch,
de muziek is subsidieerbaar. Niets mag storen. Niets mag schokken. Niets
mag de aangeharkte tuintjes van de geest in de war brengen. En zo
ontstaat een cultuur van de middelmaat, een verdorvenheid die zich
vermomt als beschaving. De Nederlander leest zijn NRC Handelsblad,
drinkt zijn fairtrade-koffie en voelt zich moreel superieur. Maar onder
die superioriteit schuilt een leegte: de leegte van een leven zonder
risico, zonder extase, zonder de rauwe smaak van het onverwachte.
Men zou kunnen tegenwerpen dat dit de prijs is van beschaving. Dat orde
leidt tot welvaart, tot lage criminaliteit, tot fietsende kinderen en
schone straten. En ja, de statistieken liegen niet: Nederland scoort
hoog op de World Happiness Report, de infrastructuur is voorbeeldig, de
gezondheidszorg efficiënt. Maar geluk is hier een protocol geworden. Het
is geen diep, existentieel geluk, geen vreugde die uit chaos geboren
wordt. Het is een tevredenheidsscore van 7,8 op een schaal van 10,
gemeten door het CBS. De Nederlander is gelukkig omdat hij niet
ongelukkig mág zijn. Hij fietst naar zijn werk in de regen, met een
regenpak van Gore-Tex dat voldoet aan de Arbowet, en hij denkt: “Dit is
goed.” Maar is het goed? Of is het alleen maar niet slecht? De
verdorvenheid zit hem in deze reductie van het leven tot een vermijdbare
ramp. Leven wordt overleven. Overleven volgens de richtlijnen.
En dan, als contrast, het rommelige Luik. Ah, Luik, dat lelijke,
levende, onuitstaanbare Luik. De stad waar de Maas niet netjes tussen
dijken stroomt maar brutaal door de straten snijdt, waar de heuvels niet
gladgestreken zijn maar vol gaten en trappen zitten, waar de gebouwen
niet uniform zijn maar een chaotische mengeling van Art Nouveau,
brutalisme en verval. Luik is België op zijn Walloons: trots, koppig,
luidruchtig en onvoorspelbaar. Hier is geen protocol voor een
aangespoelde walvis, want een walvis spoelt niet aan; als hij het zou
doen, zou een groep kerels met een kraanwagen en een krat Jupiler het
probleem oplossen terwijl ze vloeken in het Waals. Geen tuintjes die
aangeharkt zijn; tuinen bestaan niet eens, of ze zijn overwoekerd met
wilde rozen en oude autobanden. De straten ruiken naar friet, sigaretten
en urine, en dat is geen schande, dat is leven.
Waarom is het beter wonen in dat rommelige Luik? Omdat daar de mens nog
mens is. Niet een burger met een burgerservicenummer, maar een individu
met nukken, passies en fouten. In Luik mag je schreeuwen op straat
zonder dat een handhaver je vraagt om je ID. In Luik mag je een café
beginnen zonder businessplan van twaalf pagina’s; je hangt gewoon een
bord op en schenkt bier tot de fiscus langskomt – en dan onderhandel je.
In Luik is de markt op zondag een slagveld van stemmen, kleuren en
geuren: vis die nog spartelt, kaas die ruikt naar voeten, vrouwen die
roddelen over de prijs van de prei. Er is geen “duurzaamheidsprotocol”
voor de verpakking; er is alleen de koop en de verkoop. De chaos is niet
destructief; ze is creatief. Uit die rommel ontstaat kunst die rauw is,
muziek die swingt, liefde die niet netjes is maar vurig.
De Luikenaar leeft in het heden, niet in een vijfjarenplan. Hij staakt
als het hem uitkomt, want de vakbond is geen gesprekspartner maar een
strijder. Hij viert carnaval met excessen die in Nederland zouden leiden
tot een Kamervraag. Hij eet, drinkt en neukt met een gulzigheid die de
Nederlandse zielenrust zou verstoren. En ja, er is armoede, er is
corruptie, er is soms geweld. Maar die imperfectie is de prijs van
vrijheid. In Luik voel je je levend omdat het leven niet is
gladgestreken. In Nederland voel je je veilig omdat het leven is
doodgestreken.De intellectuele kern van deze vergelijking ligt in de
filosofie van de orde versus de chaos. Neem Nietzsche: de Nederlander is
de laatste mens, tevreden in zijn tuintje, happend naar gelukspilletjes
van de huisarts, bang voor de Übermensch die de protocollen zou
verscheuren. In Luik herken je de Dionysos: de god van de wijn, de
waanzin en de extase. Foucault zou spreken over de disciplinaire
samenleving in Nederland, waar de panopticon niet meer een gevangenis is
maar de hele openbare ruimte, met camera’s, apps en buren die meekijken.
In Luik is de macht nog zichtbaar, nog menselijk, nog omkoopbaar. Sartre
zou zeggen dat Nederland de hel is van de anderen die je dwingen tot
normaliteit; Luik is de hel van de vrijheid, maar een hel die je zelf kiest.
Historisch gezien is Nederland het land van de Gouden Eeuw die in een
zilveren eeuw van middelmaat is veranderd. De VOC-handelaren waagden
alles; de huidige Nederlander waagt alleen zijn hypotheekrenteaftrek.
België, en vooral Wallonië, bleef langer achter, maar behield iets van
de oude Europese ziel: de passie van de Franse Revolutie vermengd met de
koppigheid van de Ardennen. Luik, met zijn mijnwerkersverleden, zijn
Luikse revolutie van 1886, zijn onafhankelijke geest, is een stad die
nooit helemaal is getemd. Ze is rommelig omdat ze leeft. Nederland is
aangeharkt omdat het bang is voor het leven.
Men zou kunnen zeggen: maar in Nederland is alles geregeld, dus geen
corruptie, geen chaos. Ja, en dat is precies de verdorvenheid. Corruptie
is menselijk; protocollen zijn post-humaan. Chaos is vruchtbaar; orde is
steriel. In Luik sterft een potvis niet volgens paragraaf 4.2.1; hij
wordt een verhaal, een legende, een excuus voor een feest. In Nederland
wordt hij een rapport. In Luik is een tuintje een jungle waar kinderen
spelen; in Nederland is het een expositie van burgerzin.
De verdorven staat der Nederlanden is dus geen moreel failliet in de
oude zin – geen corruptie, geen dictatuur – maar een veel subtieler,
veel gevaarlijker verval: de vervanging van de ziel door de spreadsheet.
De Nederlander heeft zijn vrijheid ingeruild voor comfort, zijn wildheid
voor welvaart, zijn creativiteit voor consensus. Hij woont in een land
waar alle tuintjes aangeharkt zijn, waar elke potvis een protocol heeft,
waar het leven zelf een vergunning nodig heeft. En daarom is het beter –
bitter beter – om te wonen in het rommelige Luik. Daar, tussen de
heuvels en de rotzooi, tussen de luidruchtige stemmen en de
onvoorspelbare dagen, ademt de mens nog. Hij ademt vrij, hij ademt vals,
hij ademt levend.
Natuurlijk is Luik niet paradijselijk. Er zijn dagen dat de regen door
de straten spoelt en de riolen overlopen, dagen dat de stakingen het
openbaar vervoer lamleggen en je drie uur op een bus wacht die nooit
komt. Maar in die frustratie zit juist de levendigheid. Je vloekt, je
lacht, je improviseert. In Nederland wacht je netjes in de rij, je vult
het klachtenformulier in, en je krijgt een standaardbrief met excuses en
een tegoedbon voor een gratis koffie bij de NS. De frustratie is
weggeprotocolleerd. De emotie is genormaliseerd. En zo verdort de geest.
Denk aan de jeugd. In Nederland leert een kind al vroeg dat creativiteit
binnen kaders moet blijven. Op school wordt niet gestimuleerd om buiten
de lijntjes te kleuren; de lijntjes worden digitaal getekend met een app
die de motoriek meet. In Luik rent een kind door de steegjes, bouwt
hutten van afval, leert vechten en vergeven op straat. Het leert dat de
wereld niet perfect is, maar dat imperfectie avontuur is. Die les
ontbreekt in de Nederlandse verdorvenheid: de les dat falen vruchtbaar
is, dat chaos schept, dat rommel leven genereert.
Economisch gezien lijkt Nederland de winnaar. Hoge productiviteit, lage
werkloosheid, sterke export. Maar wat koop je met die welvaart als de
prijs je ziel is? In Luik leeft men armer maar rijker in ervaring. Men
werkt om te leven, niet om te consumeren volgens de richtlijnen van het
Nibud. Men viert met wat men heeft, niet met wat men volgens het
protocol zou moeten hebben. De verdorvenheid van Nederland is dat het
welzijn heeft geconfisqueerd en omgezet in welstand, terwijl Luik het
welzijn heeft laten bloeien in de rotzooi.
Cultuurhistorisch is het contrast schrijnend. Nederland produceert
tegenwoordig vooral managementliteratuur en zelfhulpboeken over
“mindfulness in de polder”. Luik produceert dichters die de pijn van de
industrie bezingen, muzikanten die de blues van de mijnen tot leven
wekken. De Nederlandse film is netjes, met subsidies en draaiboeken. De
Luikse cultuur is rauw, onafhankelijk, soms lelijk maar altijd echt. In
die echtheid schuilt de superioriteit van het rommelige.
Uiteindelijk is de keuze eenvoudig, hoe bitter ook. Wie kiest voor
Nederland, kiest voor de dood in leven. Wie kiest voor Luik, kiest voor
het leven in dood. De potvis sterft in beide landen, maar alleen in Luik
wordt zijn dood een verhaal dat verteld wordt in cafés tot diep in de
nacht. In Nederland wordt hij een PDF op een server. Alle tuintjes zijn
aangeharkt in Nederland, maar in Luik groeit het onkruid hoog genoeg om
er een fort van te bouwen. En daarom, in deze verdorven staat der
Nederlanden, waar protocollen de plaats hebben ingenomen van passie,
waar orde de plaats heeft ingenomen van vrijheid, is het beter – dieper,
menselijker, eerlijker beter – om te wonen in het rommelige Luik.
Dit besef komt niet lichtvaardig. Het is het resultaat van jaren
observeren, van wandelen door de straten van Amsterdam waar elke gevel
dezelfde tint grijs heeft volgens de welstandsnota, van zitten in Luikse
cafés waar de ober je bij naam kent en je een extra glas schenkt zonder
te vragen of het past binnen je “gezondheidsprotocol”. Het is het besef
dat beschaving niet gelijkstaat aan controle, en dat verdorvenheid niet
altijd in excessen schuilt, maar soms in de afwezigheid daarvan.
Nederland heeft de excessen uitgebannen, en daarmee de ziel. Luik heeft
de excessen omarmd, en daarmee de mensheid behouden.En zo eindigt dit
essay niet met een oplossing, want oplossingen zijn protocollen, en
protocollen zijn de vijand. Het eindigt met een bittere erkenning: de
Nederlander kan zijn tuintje harken tot de hemel, maar de hemel zal leeg
blijven. In Luik is de hemel rommelig, bewolkt, onvoorspelbaar – en vol
leven. Dat is de keuze. En wie echt leeft, kiest voor de rommel.
More information about the D66
mailing list