[D66] Aan de Slag(haren): een rondje optimisme terwijl de nooduitgang ontbreekt
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Fri Jan 30 14:30:54 CET 2026
Aan de Slag(haren): een rondje optimisme terwijl de nooduitgang ontbreekt
Dit regeerakkoord presenteert zichzelf als een document van “grote
ambities”, maar wie het zorgvuldig leest, ziet vooral een oefening in
zelfhypnose. Het is een tekst die voortdurend zijn eigen ernst bezweert,
zijn eigen daadkracht bezingt en zijn eigen realiteitszin claimt,
terwijl hij ondertussen leunt op drie wankele pijlers: opgeblazen
ambitie zonder politieke of uitvoeringsbasis, een verregaande
normalisering van militarisme als organiserend principe van beleid, en
een optimisme dat niet wordt gedragen door feiten, middelen of
maatschappelijke draagkracht. Het akkoord wil uitstralen dat Nederland
“weer vooruit kan”, maar weigert eerlijk te zijn over wat daarvoor
opgeofferd moet worden, wie de rekening betaalt en welke conflicten
onvermijdelijk zijn. In plaats daarvan krijgen we een verhaal waarin
alles tegelijk kan: groei én duurzaamheid, veiligheid én vrijheid,
minder overheid én meer sturing, streng beleid én vertrouwen in de
burger. Het resultaat is geen visie, maar een stapeling van beloften die
elkaar ondergraven.
De zogenoemde “grote ambities” vormen de ruggengraat van het document,
maar blijken bij nadere beschouwing vooral retorisch. Overal duiken ze
op: grote keuzes, grote investeringen, grote doorbraken. Wat ontbreekt,
is een hiërarchie. Alles is prioriteit, en daarmee is niets het
werkelijk. Woningbouw is topprioriteit, maar tegelijk worden procedures
juridisch aangescherpt op een manier die gegarandeerd tot nieuwe
rechtszaken leidt. Klimaat en groene groei worden gepresenteerd als twee
kanten van dezelfde medaille, terwijl concrete maatregelen consequent
worden ingekaderd als “haalbaar voor het bedrijfsleven”, wat in de
praktijk neerkomt op uitstel, uitzonderingen en vrijblijvendheid.
Stikstof wordt opgelost door doelen te verplaatsen naar 2035, met de
belofte dat er “bijgestuurd” zal worden als het niet lukt – een
formulering die inmiddels synoniem is geworden voor politiek tijdrekken.
Het akkoord lijdt aan een fundamenteel misverstand over ambitie: men
verwart wensdenken met bestuurlijke daadkracht. Ambitie zonder scherpe
keuzes is geen ambitie, maar marketing. Er wordt nergens expliciet
erkend dat sommige doelen elkaar bijten. Dat extra defensie-uitgaven
structureel ten koste gaan van sociale investeringen. Dat economische
groei in de huidige vorm op gespannen voet staat met ecologische
grenzen. Dat deregulering en rechtsbescherming elkaar niet moeiteloos
laten verzoenen. In plaats van die spanningen te benoemen, worden ze
gladgestreken met containerbegrippen als “integrale aanpak” en
“samenhangend beleid”, alsof complexiteit vanzelf oplost zodra je haar
genoeg managementtaal toedient.
Daarmee samenhangend is de bijna religieuze verering van
uitvoerbaarheid. Het akkoord staat vol passages waarin wordt beloofd dat
beleid “uitvoerbaar”, “eenvoudig” en “voorspelbaar” zal zijn. Dat klinkt
aantrekkelijk, zeker na jaren van bestuurlijk falen, maar het blijft hol
zolang niet wordt erkend dat veel problemen juist voortkomen uit
politieke keuzes, niet uit uitvoeringsfouten. De toeslagenaffaire was
geen ongelukje van de uitvoering, maar het resultaat van een bewust
politiek klimaat van wantrouwen, repressie en kostenbeheersing. Dit
akkoord zegt dat vertrouwen weer het uitgangspunt wordt, maar koppelt
dat onmiddellijk aan strengere handhaving, meer bevoegdheden en
zwaardere straffen. Vertrouwen wordt hier niet hersteld, maar
geconditioneerd: je mag het hebben, zolang je je gedraagt.
Het meest verontrustende element van het akkoord is echter de manier
waarop veiligheid en militarisme het morele en beleidsmatige zwaartepunt
vormen. Vrijwel elk maatschappelijk vraagstuk wordt geframed als
veiligheidsprobleem: migratie, digitalisering, desinformatie, protest,
zelfs sociale cohesie. De wereld wordt voorgesteld als inherent
dreigend, vijandig en instabiel, en die voorstelling legitimeert een
permanente staat van paraatheid. Defensie-uitgaven worden niet slechts
verhoogd, maar genaturaliseerd als vanzelfsprekend en onontkoombaar.
Kritiek daarop wordt impliciet weggezet als naïef of onverantwoordelijk.
Dit is geen nuchtere veiligheidsanalyse, maar een ideologische keuze.
Militarisme sluipt het beleid binnen niet alleen via tanks en
straaljagers, maar via taal. Burgers moeten “weerbaar” worden, buurten
“samenredzaam”, de samenleving een verlengstuk van het
veiligheidsapparaat. Inlichtingen- en veiligheidsdiensten krijgen
structureel meer bevoegdheden, terwijl rechtsstatelijke waarborgen
vooral procedureel worden benoemd, niet inhoudelijk versterkt. De
belofte van een “techniekneutrale” nieuwe inlichtingenwet is in feite
een blanco cheque: alles wat technologisch mogelijk is, moet juridisch
mogelijk worden gemaakt, mits het maar in de juiste terminologie wordt
gegoten.
Ook het demonstratierecht wordt niet beschermd, maar geproblematiseerd.
Demonstraties worden vooral beschreven als potentieel ontwrichtend, als
risico voor de openbare orde, niet als essentieel democratisch
correctief. De oplossing is voorspelbaar: meer bevoegdheden voor
burgemeesters, zwaardere straffen, meer repressie. Dat dit vooral
minderheden, activisten en politieke buitenstaanders zal raken, wordt
niet benoemd. Veiligheid wordt zo een asymmetrisch concept: bescherming
voor de macht, disciplinering voor de rest.
Het optimisme dat door het akkoord heen sijpelt, staat in schril
contrast met deze sombere veiligheidslogica. Nederland “heeft alles in
huis”, de toekomst “kan nog steeds beter worden”, het is “tijd om aan de
slag te gaan”. Maar dit optimisme is ongefundeerd omdat het structurele
beperkingen negeert. De arbeidsmarkt is krap, de uitvoering is
overbelast, het vertrouwen in de overheid is broos, en de politieke
fragmentatie maakt stabiel beleid onzeker. Toch wordt gedaan alsof met
voldoende wilskracht en samenwerking alles oplosbaar is. Dat is geen
realisme, maar ontkenning.
Het akkoord vertrouwt obsessief op het idee van samenwerking: met de
Kamer, met medeoverheden, met maatschappelijke organisaties, met Europa.
Samenwerking wordt gepresenteerd als wondermiddel, maar zonder
machtsanalyse. Wie werkt samen met wie, onder welke voorwaarden, en met
welk beslissingsrecht? In de praktijk betekent deze vorm van
samenwerking vaak dat verantwoordelijkheid wordt verspreid en daarmee
verdund. Als iedereen betrokken is, is niemand aanspreekbaar. Het
akkoord belooft een “open houding”, maar reserveert ondertussen alle
strategische ruimte voor het kabinet zelf.
Dit ongefundeerde optimisme komt ook tot uiting in de financiële
paragraaf, waar grote investeringen worden aangekondigd zonder harde
keuzes over dekking. Gezonde overheidsfinanciën worden bezongen, maar
tegelijkertijd worden structurele uitgaven verhoogd op defensie,
infrastructuur, veiligheid en economische stimulering. Dat dit
onvermijdelijk leidt tot bezuinigingen elders of tot lastenverzwaringen,
wordt verhuld achter vaagheden over “doelmatigheid” en “efficiency”. De
overheid moet slanker worden, maar ook meer doen. Ambtenaren moeten
minder worden, maar beleid moet beter worden uitgevoerd. Het is het oude
dogma van meer met minder, opnieuw opgediend, ondanks decennia aan
bewijs dat dit leidt tot uitputting en falen.
Wat uiteindelijk resteert, is een akkoord dat vooral bang is. Bang voor
instabiliteit, bang voor conflict, bang voor verlies van controle. Die
angst wordt gecamoufleerd als daadkracht, als ambitie, als optimisme.
Maar echte ambitie durft te kiezen, durft te verliezen, durft tegen
heilige huisjes te schoppen. Echte veiligheid erkent dat vrijheid
risico’s kent. En echt optimisme is geworteld in een eerlijke analyse
van beperkingen, niet in het wegpoetsen ervan.
Dit regeerakkoord wil alles zijn voor iedereen, en eindigt daarmee als
een document dat nergens echt voor staat. Het belooft een beter
Nederland, maar durft niet te zeggen welk Nederland het achter zich wil
laten. Het predikt grote ambities, maar vreest de consequenties daarvan.
Het omarmt militarisme als vanzelfsprekend antwoord op onzekerheid, en
verkoopt hoop zonder fundament. Wat het vooral laat zien, is een
politieke elite die liever gelooft in haar eigen verhaal dan de
werkelijkheid onder ogen ziet. Dat is geen basis voor vooruitgang, maar
voor teleurstelling.
More information about the D66
mailing list