[D66] Het godsgeklaag in de massamedia over de “verwarde persoon”
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Tue Jan 20 19:02:50 CET 2026
De Liturgie van de Verontwaardiging
Het is een vertrouwd ritueel geworden, even voorspelbaar als de
seizoenen en even hol als hun metaforen: het godsgeklaag in de
massamedia over de “verwarde persoon”. Telkens wanneer een incident zich
aandient – bij voorkeur met sirenes, tape en een samenvatting die in
zestig seconden past – wordt het koor aangeheven. Commentatoren slaan de
handen ineen, presentatoren fronsen de wenkbrauwen met geoefende
empathie, en opiniemakers trekken hun standaardwoordenboek open waarin
“onbegrepen”, “ontregeld” en “tussen wal en schip gevallen” alfabetisch
gerangschikt staan. Het publiek zucht mee, niet zozeer uit betrokkenheid
als wel uit herkenning: dit verhaal kennen we, dit verhaal vraagt niets
van ons behalve instemmend hoofdknikken.
Wat men dan “bezorgdheid” noemt, is in werkelijkheid een esthetische
pose. De verwarde persoon is in dit narratief geen mens van vlees en
bloed, maar een dramaturgisch instrument, een katalysator voor morele
verontwaardiging zonder consequenties. Hij of zij verschijnt in de media
zoals de koorleider in een Griekse tragedie: niet om te handelen, maar
om het onheil te duiden en tegelijk te neutraliseren. Door de verwarde
persoon te benoemen, te rubriceren en te herhalen, wordt het ongerief op
veilige afstand gehouden. Het is een taxonomie van ongemak, een manier
om chaos te temmen met taal die pretendeert te begrijpen maar in feite
slechts afbakent.
De massamedia, altijd op zoek naar een verhaal dat zowel schokt als
geruststelt, hebben deze figuur gretig omarmd. Want zie: hier is iemand
die de maatschappelijke orde verstoort, maar die we tegelijk kunnen
ontzien. Hij is geen boef, maar ook geen burger; geen vijand, maar ook
geen medemens. Hij zweeft in een semantisch limbo waarin alles mogelijk
is en niets verplicht. Door hem “verward” te noemen, wordt elke vraag
naar oorzaken verdampt tot een mist van abstracties. Het woord
functioneert als een spons: het zuigt complexiteit op en laat een
schijnbaar droge oppervlakte achter waarop de kijker zich veilig kan
bewegen.
Het godsgeklaag zelf is een wonder van morele luiheid. Men roept om
“meer zorg”, om “betere samenwerking”, om “signalen die gemist zijn”.
Het zijn incantaties, geen voorstellen. Ze worden uitgesproken met de
plechtigheid van een gebed en de effectiviteit ervan is navenant.
Niemand hoeft te specificeren wat die zorg precies inhoudt, wie haar
moet leveren, of wat ze mag kosten. Het volstaat om te betreuren.
Treurnis is goedkoop, en in de mediale economie is goedkoop altijd
aantrekkelijk.
Wat vooral ontbreekt, is zelfreflectie. De media presenteren zich als
waarnemers, als neutrale spiegels van de werkelijkheid, maar vergeten
gemakshalve hun eigen rol in het creëren van het spektakel dat zij
vervolgens betreuren. De verwarde persoon bestaat in het publieke
bewustzijn vooral omdat hij zo gretig wordt opgevoerd. Elk incident
wordt uitvergroot, losgezongen van context, herhaald tot het een
archetype wordt. Zo ontstaat een karikatuur die men vervolgens ernstig
neemt. Het is een perverse feedbacklus: de media produceren het beeld
dat zij zeggen te analyseren.
Er zit iets obscens in de manier waarop leed wordt verhandeld. De
verwarde persoon wordt gefilmd, geciteerd, geparafraseerd, maar zelden
gehoord. Zijn stem verschijnt hooguit als onbegrijpelijk gemompel, een
exotisch geluid dat de ernst van de situatie moet onderstrepen. Men
vraagt niet wat hij zegt, maar wat hij “doet”. Actie is immers
verkoopbaar, betekenis niet. En wanneer de actie eenmaal heeft
plaatsgevonden, kan men met een gerust hart overstappen op de analyse,
die altijd achteraf komt en daarom nooit iets hoeft te veranderen.
De eruditie van het godsgeklaag is selectief. Men haalt statistieken aan
zonder ze te duiden, verwijst naar rapporten die niemand gelezen heeft,
en strooit met vakjargon alsof het zout is: royaal, gedachteloos, vooral
om smaak te suggereren. Het discours is doorspekt met termen uit de
psychiatrie, maar ontdaan van hun klinische precisie. Diagnoses worden
metaforen, behandelingen worden slogans. Zo ontstaat een
pseudo-wetenschappelijkheid die autoriteit uitstraalt zonder
verantwoordelijkheid te dragen.
Ondertussen blijft het fundament onaangeroerd: een samenleving die
systematisch moeite heeft met alles wat niet efficiënt, productief en
voorspelbaar is. De verwarde persoon is de storing in het systeem, de
ruis die niet kan worden weggefilterd zonder het hele signaal in vraag
te stellen. En dat laatste is ondenkbaar. Dus kiest men voor
symptoombestrijding op narratief niveau. Men praat over opvang, maar
niet over uitsluiting; over zorg, maar niet over de voorwaarden
waaronder iemand überhaupt als zorgwaardig wordt gezien.
Het godsgeklaag is ook een manier om angst te sublimeren. De verwarde
persoon fungeert als container voor alles wat men vreest: verlies van
controle, kwetsbaarheid, de dunne lijn tussen normaliteit en waanzin.
Door hem te externaliseren, door hem te plaatsen in een aparte
categorie, kan men zichzelf geruststellen. Wij zijn niet zo. Wij zijn
veilig. De media voeden deze geruststelling door telkens weer te
benadrukken hoe uitzonderlijk het incident is, hoe zeldzaam, hoe
tragisch. Tragiek is hier een schild: het maakt van structureel falen
een noodlot.
Er is een zekere ironie in het feit dat men spreekt over “onbegrepen
gedrag” in een context die elk werkelijk begrip systematisch onmogelijk
maakt. Begrip vergt tijd, nuance, en de bereidheid om tegenstrijdigheden
te verdragen. Het massamediale format verdraagt geen van drieën. Het
verlangt helderheid, tempo en een moraal aan het einde. Dus wordt begrip
vervangen door empathische clichés, en complexiteit door soundbites. Wat
overblijft, is een esthetiek van betrokkenheid zonder de last van
betrokken zijn.
Wie zich waagt aan kritiek op dit discours, loopt het risico zelf
verdacht te worden. Want hoe durft men, in tijden van nood, te wijzen op
de leegte van het klagen? Het godsgeklaag heeft een moreel pantser: het
presenteert zich als vanzelfsprekend goed. Wie het bevraagt, lijkt kil,
elitair, wereldvreemd. En toch is het juist deze kritiek die ontbreekt.
Want zonder haar blijft men cirkelen in dezelfde retorische tredmolen,
waarbij elke omwenteling meer slijtage veroorzaakt maar geen vooruitgang.
De bitterheid die dit alles oproept, is geen cynisme maar vermoeidheid.
Vermoeidheid over het telkens opnieuw moeten constateren dat woorden
worden gebruikt om handelen te vermijden. Dat empathie wordt geëtaleerd
als een accessoire, niet beoefend als een praktijk. Dat men liever
spreekt over “verwarde personen” dan over een verwarde samenleving. De
term zelf is een spiegel die men weigert te bekijken.
Misschien is dat wel de kern van het probleem: het godsgeklaag is een
vorm van zelfverdediging. Het beschermt tegen de ongemakkelijke vraag
wat deze figuur over ons zegt. Over onze tolerantie, onze instituties,
onze definitie van normaliteit. Door de verwarde persoon tot onderwerp
van medelijden te maken, onttrekken we ons aan de mogelijkheid dat hij
ook een aanklacht is. Tegen een wereld die steeds minder ruimte laat
voor afwijking, traagheid en kwetsbaarheid.
En zo blijft men klagen, met de ernst van een requiem en de lichtheid
van een reclameblok. De camera draait, de expert knikt, de kijker zucht.
Morgen een nieuw onderwerp, een nieuw godsgeklaag. De verwarde persoon
verdwijnt weer in de marge, totdat hij opnieuw bruikbaar is. Het is een
cyclus die zichzelf voedt en niemand verzadigt. Alleen de illusie van
betrokkenheid blijft achter, als een lege kelk op een altaar waar allang
geen god meer woont.
More information about the D66
mailing list