[D66] Twee Talen en een Microfoon
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Thu Jan 15 02:21:03 CET 2026
Twee Talen en een Microfoon
Een sarcastisch essay over politieke taal, spierballentaal, en de
Nederlandse vuist richting Washington
Politici beheersen doorgaans twee talen. De eerste is politieke taal:
een dialect van mist, komma’s en voorwaardelijke wijs. Zinnen beginnen
er met “We erkennen de zorgen…” en eindigen met “binnen de kaders van
een zorgvuldige afweging.” Het is een taal waarin niets wordt gezegd en
toch iedereen mag applaudisseren. De tweede taal is spierballentaal:
kort, luid en zonder bijzin. “Dit pikken we niet.” Punt. Bij voorkeur
uitgesproken met een kaak die iets te strak staat voor de inhoud die hij
moet dragen.
Het probleem is niet dat politici deze twee talen spreken. Het probleem
is dat ze geen derde kennen: die van verhoudingen.
Neem een klein land met een groot woordenboek en een nog groter
historisch zelfbeeld. Een land dat handel dreef met iedereen die een
kade had, en dat nu denkt dat morele verontwaardiging een exportproduct
is. In politieke taal klinkt het dan zo: “Nederland roept de Verenigde
Staten op tot verantwoordelijkheid.” Dat is diplomatiek, keurig, en
veilig. In spierballentaal wordt het: “We moeten ons niet laten
wegduwen.” Dat klinkt stoer, vooral op televisie, waar verhoudingen
worden teruggebracht tot camerahoeken.
Wat beide talen gemeen hebben, is dat ze doen alsof schaal niet bestaat.
Alsof geopolitiek een debatclub is waar de beste formulering wint. Alsof
een ferme uitspraak hetzelfde gewicht heeft als een vliegdekschip. In
politieke taal heet dat “principieel leiderschap”. In spierballentaal
heet het “ruggengraat”. In werkelijkheid heet het vaak: microfoonmoed.
Het is bewonderenswaardig hoe een klein land zich groot kan praten. Niet
groot handelen, groot praten. Want handelen vereist nuance, timing en
soms stilte—drie zaken die slecht scoren in talkshows. Praten
daarentegen kan altijd. Het liefst in zinnen die doen vermoeden dat
morele superioriteit een strategisch wapen is. Alsof Washington bij het
ochtendnieuws denkt: “Wacht even, Nederland fronst. Terugtrekken, mannen.”
De ironie is dat politieke taal en spierballentaal elkaars spiegel zijn.
De eerste verhult machteloosheid met beleefdheid, de tweede maskeert
diezelfde machteloosheid met volume. Ze zijn elkaars vermomming, niet
elkaars tegenpolen. En beide vermijden zorgvuldig de ongemakkelijke
waarheid: dat invloed zelden wordt afgedwongen met woorden alleen, maar
met coalities, consistentie en—hoe saai ook—lange adem.
Zo ontstaat het theater van de daadkracht. Een Kamerlid spreekt ferm,
een minister spreekt voorzichtig, en het land voelt zich even groot. De
volgende dag verandert er niets, behalve de formulering. Dat heet dan
“een signaal afgeven”. Signalen zijn handig: ze kosten niets, doen geen
pijn en kunnen altijd opnieuw worden afgegeven, iets harder dit keer.
Misschien is het tijd voor een vierde taal. Geen politieke taal. Geen
spierballentaal. Maar realiteitstaal. Een taal die zegt: we zijn klein,
maar niet onbelangrijk; principieel, maar niet almachtig; luid in
woorden, stil in daden wanneer dat strategisch is. Een taal die begrijpt
dat respect niet ontstaat door roepen, maar door weten wanneer je
spreekt—anders dan tegen jezelf.
Tot die tijd blijft Nederland oefenen voor de spiegel. Vuist gebald, zin
geoefend. Voor het geval dat Washington kijkt.
More information about the D66
mailing list