[D66] De ontbinding van legitimiteit: waarom de Tweede Kamer niet langer bestaat
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sat Jan 10 15:45:21 CET 2026
De ontbinding van legitimiteit: waarom de Tweede Kamer niet langer bestaat
Er komt een moment waarop woorden hun onschuld verliezen. Waar
“democratie” geen beschrijving meer is, maar een dekmantel. Waar
“rechtsstaat” niet langer een structuur aanduidt, maar een decorstuk:
netjes uitgelicht, zorgvuldig onderhouden, maar volledig losgezongen van
het spel dat zich ervoor afspeelt. Dat moment is nu. De Tweede Kamer der
Staten-Generaal, ooit het hart van parlementaire legitimiteit, is
opgehouden te bestaan als drager van rechtsprincipes. Wat resteert is
een machtsorgaan zonder moreel gezag, een simulatie van
volksvertegenwoordiging die haar eigen grondslagen heeft verloochend.
Dit is geen lichtvaardige conclusie. Het is geen boosheid, geen
teleurstelling, geen tijdelijke frustratie. Het is een principiële
vaststelling: een instituut dat structureel de voorwaarden van zijn
eigen legitimiteit schendt, houdt op erkend te kunnen worden als
rechtsgeldig gezag. Niet omdat het formeel is afgeschaft, maar omdat het
inhoudelijk is uitgehold. De Tweede Kamer functioneert nog, ja. Ze
stemt, debatteert, stelt vragen. Maar functioneren is niet hetzelfde als
rechtvaardig zijn. Macht kan blijven draaien lang nadat legitimiteit is
verdwenen.
De rechtsstaat als morele belofte
De kern van een rechtsstaat is niet de meerderheid. Dat wordt te vaak
vergeten, soms opzettelijk. De rechtsstaat is juist de begrenzing van
meerderheidsmacht. Zij is de institutionele belofte dat macht niet alles
mag, ook niet wanneer zij wordt gedragen door verkiezingsuitslagen,
coalitieakkoorden of opiniepeilingen. Rechtsprincipes zijn geen
procedurele franje, maar inhoudelijke grenzen: gelijkheid voor de wet,
bescherming van minderheden, voorspelbaarheid van bestuur, scheiding der
machten, en bovenal de erkenning dat de staat zichzelf bindt.
Wat we zien in de hedendaagse parlementaire praktijk is niet het
incidenteel falen van die belofte, maar haar systematische relativering.
Rechtsprincipes worden behandeld als hinderpalen die creatief omzeild
moeten worden. Juridische waarborgen worden afgedaan als “lastig”,
“verouderd” of “onwerkbaar”. De Kamer accepteert noodgrepen als
standaardinstrument, schuift fundamentele bezwaren terzijde met beroep
op urgentie, en legitimeert dit alles met een taal die steeds leger
klinkt: daadkracht, realisme, verantwoordelijkheid.
Maar realisme zonder recht is niets anders dan brute machtsuitoefening
met nette woorden.
Machtsrealisme als ideologie
De draai naar machtsrealisme, en de weigering om de VS scherp te
veroordelen in de zaak-Maduro, is geen neutrale ontwikkeling. Het is een
ideologische keuze. Machtsrealisme stelt dat wat werkt, gerechtvaardigd
is. Dat effectiviteit belangrijker is dan rechtmatigheid. Dat het doel —
stabiliteit, bestuurbaarheid, electorale rust — de middelen heiligt. In
deze logica wordt de rechtsstaat een luxeproduct: iets wat je je kunt
veroorloven in rustige tijden, maar dat je tijdelijk opschort zodra het
lastig wordt.
De Tweede Kamer heeft deze logica omarmd. Niet expliciet, niet in één
stemmingsmoment, maar geleidelijk en collectief. Ze heeft geleerd te
leven met structurele uitzonderingen. Ze heeft geleerd weg te kijken
wanneer rechtsgelijkheid wordt opgeofferd aan politieke haalbaarheid. Ze
heeft geleerd om juridische kritiek te reduceren tot “technische
kanttekeningen”. Daarmee heeft ze zichzelf getransformeerd van hoeder
van het recht tot manager van macht.
En een manager van macht verdient geen erkenning als
volksvertegenwoordiging.
De fictie van vertegenwoordiging
Vertegenwoordiging veronderstelt meer dan verkiezingen. Het
veronderstelt dat vertegenwoordigers handelen binnen een kader dat het
volk bindt én beschermt. Wanneer dat kader wordt losgelaten, blijft er
slechts een aritmetiek van zetels over. De Tweede Kamer functioneert dan
niet langer als vertegenwoordiger van burgers, maar als
vertegenwoordiger van politieke belangen, partijstrategieën en
bestuurlijke continuïteit.
De burger verschijnt in dit systeem slechts nog als statistiek, als
risico, als probleem dat gemanaged moet worden. Niet als rechtssubject
met onvervreemdbare aanspraken. Wie zich beroept op rechtsprincipes,
wordt gezien als lastig, naïef of obstructief. Wie vraagt naar
legitimiteit, krijgt procedures terug. Wie vraagt naar rechtvaardigheid,
krijgt cijfers.
Dit is geen democratie, maar technocratisch machtsbeheer met
democratische rituelen.
Het verlies van erkenning
Erkenning is geen automatisme. Zij is de morele tegenhanger van
gehoorzaamheid. Ik erken gezag zolang dat gezag handelt binnen de
grenzen die het zichzelf heeft opgelegd. Zodra het gezag die grenzen
structureel overschrijdt, vervalt de plicht tot erkenning. Niet tot
geweld, niet tot chaos, maar tot principiële weigering.
De Tweede Kamer heeft deze grens overschreden. Niet één keer, niet per
ongeluk, maar herhaaldelijk en bewust. Zij heeft rechtsprincipes niet
langer als fundament behandeld, maar als variabele. Daarmee heeft zij
haar eigen bestaansreden ondermijnd. Dat zij formeel nog bestaat, doet
daaraan niets af. Legitimiteit is geen administratieve status, maar een
normatieve relatie.
Die relatie is verbroken.
Het minderheidskabinet-Jetten als consequentie
Wanneer een parlement zijn legitimiteit verliest, verliezen ook de
regeringen die daaruit voortkomen hun erkenning. Dat geldt des te
sterker voor een minderheidskabinet dat zich niet eens kan beroepen op
een stabiele parlementaire meerderheid, maar zijn bestaan rechtvaardigt
met pragmatische deals, ad-hoc steun en politieke opportuniteit.
Een minderheidskabinet onder leiding van Jetten zou in deze context niet
het teken zijn van democratische vernieuwing, maar van institutionele
leegte. Het zou regeren bij gratie van een Kamer die zelf geen moreel
gezag meer bezit. Dat is geen moedige bestuursvorm, maar een
machtsconstructie zonder fundament.
Zo’n kabinet zou spreken in de taal van verantwoordelijkheid, maar
handelen in de logica van overleven. Het zou compromissen sluiten niet
om recht te doen, maar om te blijven zitten. Het zou het gebrek aan
mandaat compenseren met morele retoriek en bestuurlijke daadkracht. En
precies daarin zou zijn illegitimiteit zichtbaar worden.
Wie regeert zonder erkend gezag, regeert alleen nog met macht.
De normalisering van het onaanvaardbare
Het meest verontrustende is niet dat deze ontwikkeling plaatsvindt, maar
dat zij genormaliseerd is. De Tweede Kamer schrikt niet meer van haar
eigen handelen. Zij debatteert over uitzonderingen alsof zij permanent
zijn. Zij accepteert juridische twijfel als prijs van beleid. Zij
beschouwt kritiek op rechtsprincipes als extremisme of wereldvreemdheid.
Dit is de ware crisis: niet een gebrek aan oplossingen, maar een gebrek
aan schaamte.
Wanneer een parlement geen schaamte meer kent tegenover het recht, is
het niet langer een parlement in normatieve zin. Dan is het een
machtsarena, niet fundamenteel verschillend van elk ander bestuursorgaan
dat zijn eigen voortbestaan organiseert.
Wat resteert
Wat resteert is geen oproep tot revolutie, geen romantiek van
instorting. Wat resteert is een kale vaststelling: erkenning kan worden
ingetrokken. Niet collectief, niet via een stemming, maar individueel en
principieel. Men kan weigeren mee te doen aan de fictie. Men kan
weigeren taal te gebruiken die leeg is geworden. Men kan weigeren gezag
te erkennen dat zichzelf heeft losgezongen van het recht.
Dat is geen destructie, maar behoud. Behoud van het idee dat macht
gebonden moet zijn. Dat recht geen instrument is, maar grens. Dat
democratie meer is dan tellen.
De Tweede Kamer bestaat nog als gebouw, als agenda, als livestream. Maar
als rechtsstatelijk orgaan is zij opgehouden te bestaan. En elk kabinet
dat uit haar voortkomt — ook een minderheidskabinet onder Jetten — deelt
in dat verlies.
Zolang het recht ondergeschikt blijft aan machtsrealisme, is erkenning
niet alleen onterecht, maar medeplichtig.
More information about the D66
mailing list