[D66] De Juridische Echo van de Witte Jas

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Sat Feb 21 13:54:00 CET 2026


De Juridische Echo van de Witte Jas

Er bestaat een hardnekkig en ongemakkelijk vermoeden in het debat over 
verplichte geestelijke gezondheidszorg: dat de rechter, geconfronteerd 
met een verzoek tot dwang, in de overgrote meerderheid van de gevallen 
het oordeel van de psychiater volgt. Of het nu 90, 95 of — zoals soms 
wordt beweerd — 99 procent betreft, het kernpunt van de kritiek is niet 
het exacte cijfer, maar het patroon van structurele instemming. Wanneer 
vrijwel elk verzoek wordt toegewezen, rijst onvermijdelijk de vraag wat 
de rechterlijke toetsing in materiële zin nog voorstelt.

Formeel is de constructie helder. Onder de Wet verplichte geestelijke 
gezondheidszorg (Wvggz) mag verplichte zorg alleen worden opgelegd 
indien sprake is van een psychische stoornis die leidt tot “ernstig 
nadeel”, terwijl bovendien geen minder ingrijpende alternatieven 
beschikbaar zijn. De psychiater stelt de diagnose en motiveert het 
risico; de rechter beoordeelt of aan de wettelijke criteria is voldaan. 
Het systeem suggereert een evenwichtige scheiding tussen medische 
expertise en juridische normering.

Maar wanneer empirisch blijkt dat de rechter vrijwel altijd instemt met 
het verzoek van de behandelaar, verandert dat beeld. Dan ontstaat de 
indruk dat de rechterlijke controle geen onafhankelijke barrière vormt, 
maar een rituele bevestiging van wat medisch al is besloten. De zitting 
wordt dan geen arena van kritische toetsing, maar een ceremonieel 
sluitstuk van een traject dat elders is bepaald.

De kern van de kritiek richt zich op drie punten: asymmetrie van 
informatie, institutionele afhankelijkheid en normatieve vaagheid.

Ten eerste de asymmetrie. De psychiater beschikt over het dossier, de 
klinische observaties, de voorgeschiedenis en de taal van de diagnose. 
De betrokkene staat daar vaak verward, angstig of wantrouwend tegenover. 
De rechter heeft beperkte tijd en beperkte medische kennis. In zo’n 
setting is het rationeel — en misschien menselijk — om zwaar te leunen 
op de deskundige. Maar wanneer die leunstoel permanent wordt, verandert 
afhankelijkheid in automatisme.

Ten tweede de institutionele dynamiek. Rechters opereren binnen een 
systeem waarin veiligheid en risicobeheersing zwaar wegen. Een afwijzing 
van een verzoek tot verplichte zorg die later tot een incident leidt, 
zal onvermijdelijk worden geëvalueerd. Een toewijzing die achteraf 
misschien onnodig blijkt, genereert zelden publieke verontwaardiging. De 
prikkelstructuur is asymmetrisch: het risico van te weinig ingrijpen 
wordt maatschappelijk zwaarder bestraft dan het risico van te veel 
ingrijpen. In die context is terughoudendheid geen neutrale keuze, maar 
een potentieel reputatierisico.

Ten derde de normatieve openheid van begrippen als “ernstig nadeel”. Het 
gaat niet om mathematische grootheden, maar om waarderingen. Wat is 
ernstig? Hoe concreet moet een dreiging zijn? Wanneer is 
maatschappelijke teloorgang voldoende onderbouwd? De wetgever heeft het 
kader bewust breed geformuleerd om flexibiliteit te waarborgen. Maar die 
flexibiliteit maakt ook dat de rechter veel ruimte heeft om het oordeel 
van de deskundige te volgen zonder zelf scherp te definiëren waar de 
grens ligt.

De verdediging van de rechterlijke praktijk luidt doorgaans dat een hoge 
toewijzingsgraad op zichzelf niets bewijst. Het kan immers zijn dat 
verzoeken zorgvuldig worden voorbereid en alleen worden ingediend 
wanneer aan de criteria evident is voldaan. In dat scenario is de 
rechterlijke instemming geen teken van klakkeloosheid, maar van goede 
selectie aan de poort.

Dat argument heeft gewicht, maar het ontslaat de rechter niet van de 
plicht tot zichtbare, inhoudelijke toetsing. Onafhankelijkheid is niet 
alleen een institutionele positie; het is ook een houding. Wanneer 
uitspraken summier motiveren waarom alternatieven ontoereikend zijn of 
waarom het ernstig nadeel voldoende concreet is, dan wordt de 
rechterlijke rol gereduceerd tot een bevestiging in plaats van een 
correctie.

De scherpe kritiek — dat de rechter zich gedraagt als verlengstuk van de 
psychiatrie — raakt aan een fundamentele rechtsstatelijke zorg. De 
vrijheidsbeneming van burgers is een van de zwaarste ingrepen die de 
staat kan plegen. Juist daarom is de rechter geen administratieve 
formaliteit, maar de constitutionele poortwachter. Als die poort in de 
praktijk zelden dichtgaat, moet men zich afvragen of zij nog werkelijk 
bewaakt wordt.

Het probleem is niet dat rechters medische expertise respecteren. Dat 
moeten zij. Het probleem ontstaat wanneer respect omslaat in deferentie 
zonder frictie. Een rechterlijke vraag die nooit schuurt, een zitting 
die zelden verrast, een motivering die standaardformules herhaalt — dat 
zijn signalen van institutionele gewenning.

Bovendien schuilt er een principiële spanning in het idee dat een 
stoornis automatisch leidt tot dwang. De wet eist een causaal verband 
tussen stoornis en ernstig nadeel. Dat verband is geen medische 
vanzelfsprekendheid, maar een normatieve kwalificatie. Niet elke 
psychose rechtvaardigt opsluiting; niet elke weigering van behandeling 
impliceert gevaar. Wanneer de rechter dat onderscheid niet zichtbaar 
maakt, vervaagt de grens tussen zorg en controle.

Een andere dimensie van de kritiek betreft het karakter van de zitting 
zelf. In theorie is zij mondeling, persoonlijk en direct. In de praktijk 
is zij vaak kort, technisch en sterk dossiergericht. De betrokkene 
spreekt, maar wordt zelden gevolgd in zijn eigen narratief; de 
psychiater spreekt in termen van risico-inschatting en behandelnoodzaak. 
De rechter balanceert, maar heeft de neiging om de taal van 
professionaliteit boven die van subjectieve beleving te plaatsen. Dat is 
begrijpelijk, maar niet neutraal.

De rechter die vrijwel altijd instemt, loopt het risico dat zijn rol 
verschuift van beoordelaar naar legitimator. Dat is geen moreel falen 
van individuen, maar een systemisch effect. Wanneer alle actoren binnen 
een keten dezelfde richting op bewegen — veiligheid, stabiliteit, 
risicoreductie — is tegenspraak moeilijk vol te houden.

En toch ligt precies daar de kern van de rechterlijke opdracht: 
tegenspraak institutionaliseren. De rechtsstaat is gebouwd op wantrouwen 
jegens geconcentreerde macht, ook wanneer die macht zich presenteert als 
zorg. De psychiater kan overtuigd zijn van de noodzaak van opname; de 
rechter moet overtuigd raken. Dat verschil is essentieel.

Het “neermaaien” van de rechter als persoon is daarom minder vruchtbaar 
dan het ontleden van zijn positie. Het probleem is niet dat rechters 
onbekwaam of kwaadaardig zijn. Het probleem is dat hun onafhankelijkheid 
in deze context structureel onder druk staat door expertise-asymmetrie, 
tijdsdruk en risicomijdende cultuur. Een rechter die zich daar niet 
actief tegen verzet, glijdt ongemerkt af naar bevestigingsmachine.

Wie de cijfers serieus neemt, moet dus niet alleen vragen stellen over 
psychiaters, maar vooral over de kwaliteit van rechterlijke motivering. 
Hoe vaak wordt een verzoek gedeeltelijk toegewezen? Hoe vaak wordt een 
minder ingrijpende maatregel opgelegd? Hoe expliciet wordt het criterium 
“ernstig nadeel” ingevuld? Transparantie en empirische analyse zijn hier 
onmisbaar.

De rechter ontleent zijn gezag aan onafhankelijkheid en kritische 
distantie. Wanneer die distantie in de praktijk nauwelijks zichtbaar is, 
verliest het systeem een essentieel tegenwicht. De paradox is dat juist 
in het domein waar vrijheid het meest kwetsbaar is — de gedwongen 
geestelijke gezondheidszorg — de rechterlijke toetsing het meest robuust 
zou moeten zijn.

Als de indruk ontstaat dat zij dat niet is, dan verdient niet de persoon 
van de rechter de bijl, maar de institutionele vanzelfsprekendheid 
waarmee instemming plaatsvindt het scalpel van kritische analyse. De 
rechtsstaat vraagt niet om symbolische controle, maar om werkelijke, 
inhoudelijke frictie. Zonder die frictie wordt de toga geen schild voor 
de burger, maar een stempel op een reeds genomen besluit.




More information about the D66 mailing list