[D66] Hoogspanning zonder Horizon: Re: Elektriciteitsnet vol in drie provincies

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Thu Feb 12 14:52:59 CET 2026


[Afschalen ipv opschalen!]


Hoogspanning zonder Horizon

De moderniteit presenteert zich graag als onvermijdelijk. Zij spreekt in 
de taal van vooruitgang, efficiëntie en rationaliteit, en zij duldt 
nauwelijks het vermoeden dat zij ook een historische keuze is geweest – 
een keuze met alternatieven, slachtoffers en grenzen. Wanneer het 
hoogspanningsnet zijn maximum bereikt, wanneer het landschap wordt 
herschreven in kabeltracés, transformatorstations en windparken, wanneer 
de zomer dreigt te worden ingeluid met een aansluitstop voor woningen en 
kleine bedrijven, dan noemt men dat een technisch probleem. Vanuit een 
anti-civ perspectief is het echter geen incident maar een symptoom. Niet 
het net is overbelast; de beschaving zelf heeft haar eigen draagkracht 
overschreden.

De anti-civilisationele kritiek vertrekt niet vanuit nostalgie naar een 
geïdealiseerd verleden, maar vanuit een analyse van wat beschaving – in 
haar industriële, grootschalige vorm – noodzakelijkerwijs vereist. 
Beschaving betekent concentratie: van mensen in steden, van macht in 
instituties, van energie in netwerken, van kennis in gespecialiseerde 
disciplines. Zij berust op permanente expansie, op het steeds verder 
uitrekken van logistieke ketens, op het abstraheren van plaats en tijd. 
De moderne mens leeft niet meer in een ecosysteem, maar in een 
infrastructuur. Zijn voedsel komt uit een distributiecentrum, zijn 
warmte uit een netwerk, zijn licht uit een kabel, zijn sociale relaties 
uit een serverpark. Wat wij “samenleving” noemen, is in hoge mate een 
web van technische afhankelijkheden geworden.

Het hoogspanningsnet dat zijn maximum bereikt, onthult die 
afhankelijkheid in haar naakte vorm. Elektriciteit is de levensader van 
de industriële beschaving. Zij voedt niet alleen apparaten, maar ook 
instituties, routines en verwachtingen. De elektrificatie van 
mobiliteit, verwarming en productie wordt gepresenteerd als een 
oplossing voor de ecologische crisis, maar zij vergroot tegelijkertijd 
de centrale rol van het net. Hoe meer functies worden ondergebracht in 
één universeel medium, des te kwetsbaarder het geheel wordt. 
Complexiteit creëert efficiëntie, maar ook fragiliteit. Een knooppunt 
dat bezwijkt, verlamt een regio.

De anti-civ denker vraagt zich daarom niet alleen af hoe het net kan 
worden uitgebreid, maar waarom onze levensvorm zodanig is ingericht dat 
een uitbreiding noodzakelijk lijkt. Waarom is het vanzelfsprekend dat 
woningbouwprojecten moeten wachten op extra capaciteit? Waarom 
veronderstellen wij dat groei – in aantal huizen, bedrijven, 
datacenters, laadpalen – een natuurwet is? Het discours over 
netcongestie is doordrenkt van de premisse dat de vraag naar energie 
moet worden gefaciliteerd. De mogelijkheid dat die vraag zelf ter 
discussie staat, komt zelden aan bod.

Beschaving legitimeert zich door een belofte: meer comfort, meer 
gezondheid, meer keuzevrijheid. Zij meet haar succes in kwantitatieve 
indicatoren – bruto binnenlands product, kilowatturen, vierkante meters. 
Maar die meetbaarheid verhult een kwalitatief verlies: het verlies van 
directe relatie met plaats, met gemeenschap, met seizoenen. De anti-civ 
kritiek wijst erop dat veel van wat als vooruitgang wordt gevierd, 
gepaard gaat met vervreemding. De moderne mens beheerst zijn omgeving 
via abstracte systemen, maar hij begrijpt haar steeds minder. Hij weet 
hoe hij een app moet bedienen, maar niet hoe zijn voedsel groeit; hij 
kan een warmtepomp installeren, maar niet een huis bouwen zonder 
industriële toeleveringsketens.

De huidige energiecrisis – hoe men haar ook definieert – is niet slechts 
een kwestie van verkeerde planning. Zij is het gevolg van een 
beschavingsmodel dat permanent meer energie vergt om zichzelf in stand 
te houden. De overgang van fossiele brandstoffen naar elektriciteit 
verandert de bron, maar niet het paradigma. Zolang de onderliggende 
logica van groei, schaalvergroting en centralisatie intact blijft, 
zullen nieuwe infrastructuren dezelfde dynamiek reproduceren. Meer 
kabels, meer centrales, meer opslag – en daarmee meer afhankelijkheid.

De anti-civ positie verzet zich tegen deze logica door de vraag om te 
keren: niet hoe wij onze energievoorziening kunnen opschalen, maar hoe 
wij onze levenswijze kunnen afschalen. Dat klinkt in de oren van velen 
als een vorm van ascese of achteruitgang. Maar het is veeleer een 
pleidooi voor herlokalisering en herbegrenzing. In plaats van een 
nationaal hoogspanningsnet dat regio’s aan elkaar knoopt in een web van 
uitwisseling, zou men kunnen denken aan kleinere, plaatsgebonden 
systemen die aansluiten bij de draagkracht van een landschap. Niet elk 
dorp hoeft een knooppunt te zijn in een mondiale logistieke keten; niet 
elke regio hoeft een energiehub te worden.

De moderniteit heeft ons geleerd om grenzen te wantrouwen. Grenzen staan 
voor stagnatie, voor uitsluiting, voor verlies. Maar in ecologische zin 
zijn grenzen voorwaarde voor evenwicht. Een bos dat onbeperkt groeit, 
put zijn bodem uit; een populatie zonder predatoren overschrijdt haar 
draagkracht. De industriële beschaving heeft zichzelf echter 
georganiseerd alsof zij buiten deze wetmatigheden staat. Zij 
externaliseert haar kosten – in ruimte, in grondstoffen, in emissies – 
en verschuift ze in tijd en plaats. Netcongestie is een moment waarop 
die externalisering stokt. De fysieke infrastructuur kan de abstracte 
ambitie niet meer bijbenen.

Vanuit anti-civ perspectief is het opvallend hoe snel men technische 
oplossingen paraat heeft. Meer investeringen, snellere 
vergunningprocedures, innovatieve netbeheerstechnieken. Het vocabulaire 
is dat van optimalisatie. Maar optimalisatie veronderstelt dat het doel 
vaststaat. Het stelt niet ter discussie of het wenselijk is dat elke 
woning elektrisch wordt verwarmd, dat elke auto wordt opgeladen, dat 
elke industriële activiteit wordt geëlektrificeerd. Het gaat uit van een 
continuering van het bestaande patroon, slechts met andere middelen.

Een erudiete kritiek op beschaving put uit uiteenlopende bronnen: van de 
romantische natuurfilosofie tot de antropologie van jagers-verzamelaars, 
van de systeemtheorie tot de ecologische economie. Zij wijst erop dat 
veel pre-industriële samenlevingen functioneerden binnen duidelijke 
ecologische grenzen, met een veel lagere energiedoorvoer per capita. Dat 
betekende niet dat zij vrij waren van conflict of lijden, maar wel dat 
hun sociale organisatie minder afhankelijk was van grootschalige 
infrastructuur. De schaal waarop men leefde, correspondeerde met de 
schaal waarop men beslissingen nam en gevolgen ondervond.

De moderne staat daarentegen opereert op een abstract niveau. Hij plant 
energievoorziening decennia vooruit, modelleert vraag en aanbod, 
berekent piekbelasting. De burger wordt gereduceerd tot verbruiker, tot 
datapunt in een prognose. Wanneer een aansluitstop dreigt, is dat geen 
uitnodiging tot reflectie op consumptiepatronen, maar een logistiek 
obstakel dat moet worden weggewerkt. De taal van de politiek is die van 
faciliteiten en randvoorwaarden; zelden die van zelfbeperking.

Toch groeit het besef dat onbeperkte expansie onmogelijk is op een 
eindige planeet. De klimaatcrisis heeft de grenzen van het fossiele 
tijdperk zichtbaar gemaakt, maar de reflex om deze crisis te 
beantwoorden met een nieuwe golf van industrialisatie – in de vorm van 
groene technologie – verraadt een onvermogen om het beschavingsmodel 
zelf te bevragen. Zonneparken en windturbines worden op landschappelijke 
schaal uitgerold, batterijfabrieken verrijzen, mijnen voor zeldzame 
metalen worden geopend. De energietransitie wordt een nieuw hoofdstuk in 
dezelfde geschiedenis van extractie en schaalvergroting.

De anti-civ denker ziet hierin een paradox. De poging om de planeet te 
redden door haar verder te onderwerpen aan technische beheersing kan 
leiden tot een verdieping van de oorspronkelijke problematiek. Niet 
omdat hernieuwbare energie op zichzelf verwerpelijk is, maar omdat zij 
wordt ingebed in een systeem dat geen maat kent. Een samenleving die 
haar mobiliteit, productie en consumptie niet relativeert, zal elke 
nieuwe energiebron aanwenden om haar tempo te verhogen.

Het hoogspanningsnet dat zijn maximum bereikt, fungeert zo als metafoor 
voor een beschaving die haar eigen grenzen niet erkent. Het is een 
infrastructuur die ontworpen is voor groei, maar die nu de fysieke 
limiet van haar capaciteit toont. In plaats van deze limiet te zien als 
een uitnodiging tot heroverweging, wordt zij ervaren als een tekort dat 
moet worden aangevuld. De vraag naar minder wordt niet gesteld; alleen 
die naar meer.

Anti-civilisationeel denken bepleit geen plotselinge ontmanteling van 
alle techniek, noch een romantische terugkeer naar een mythisch 
verleden. Het vraagt om een fundamentele herwaardering van schaal en 
afhankelijkheid. Wat betekent het om weer te leven binnen de grenzen van 
een bioregio? Hoe kunnen gemeenschappen voorzien in hun basisbehoeften 
zonder permanente aansluiting op nationale of mondiale netwerken? Welke 
vormen van kennis en ambacht moeten worden herontdekt om minder 
kwetsbaar te zijn voor systeemschokken?

Deze vragen zijn niet louter theoretisch. Zij raken aan de manier waarop 
wij steden ontwerpen, voedsel produceren, energie gebruiken. Een stad 
die volledig afhankelijk is van externe toevoer van energie en goederen, 
is per definitie kwetsbaar. Een platteland dat wordt ingericht als 
productielandschap voor export, verliest zijn eigen veerkracht. De 
anti-civ visie pleit voor verkleining van kringlopen, voor diversiteit 
in plaats van monocultuur, voor autonomie in plaats van centralisatie.

Critici zullen aanvoeren dat dergelijke ideeën onrealistisch zijn in een 
wereld van acht miljard mensen. Maar juist de schaal van de 
wereldbevolking is mede een product van industriële beschaving, met haar 
medische, agrarische en logistieke revoluties. Dat betekent niet dat men 
mensenlevens lichtvaardig mag relativeren, maar wel dat men moet 
erkennen dat bevolkingsomvang, consumptieniveau en infrastructuur 
onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Een duurzame toekomst vereist 
mogelijk een geleidelijke heroriëntatie op minder energie-intensieve 
levenswijzen.

De crisis van het net confronteert ons met een keuze. Wij kunnen 
investeren in nog meer capaciteit, in nog grotere projecten, in een 
verdere verdichting van onze afhankelijkheden. Of wij kunnen de 
gelegenheid aangrijpen om te vragen welke activiteiten werkelijk 
noodzakelijk zijn. Moet elke verplaatsing gemotoriseerd zijn? Moet elke 
woning dezelfde temperatuur hebben in elk seizoen? Moet elke economische 
ambitie worden gefaciliteerd door publieke infrastructuur?

Anti-civ denken herinnert eraan dat vrijheid niet samenvalt met keuze 
tussen producten of diensten. Vrijheid kan ook betekenen: bevrijding van 
de noodzaak om voortdurend te consumeren, te concurreren, te versnellen. 
Een samenleving die minder energie verbruikt, kan paradoxaal genoeg meer 
ruimte bieden voor menselijke relaties, voor lokale betrokkenheid, voor 
betekenisvolle arbeid. Wanneer productie en consumptie dichter bij 
elkaar liggen, wordt verantwoordelijkheid concreter.

De modernist zal dit beschouwen als regressie. Hij ziet in techniek de 
belichaming van menselijke creativiteit en autonomie. En inderdaad, 
techniek is een uitdrukking van verbeeldingskracht. Maar wanneer 
techniek een systeem wordt dat zichzelf reproduceert en uitbreidt, 
verliest zij haar instrumentele karakter. Zij wordt een omgeving die ons 
vormt, in plaats van andersom. Het hoogspanningsnet is niet slechts een 
hulpmiddel; het structureert ons dagelijks leven, onze werktijden, onze 
woonpatronen.

De anti-civ kritiek vraagt om een omkering van perspectief. Niet langer 
de mens als heerser over een passieve natuur, maar als deelnemer aan een 
complex web van relaties. Niet langer groei als hoogste waarde, maar 
evenwicht. Niet langer centralisatie als efficiëntie, maar 
decentralisatie als veerkracht. Dat vergt een culturele verschuiving die 
dieper gaat dan beleidsmaatregelen of investeringsprogramma’s.

Het is verleidelijk om crises te beschouwen als technische uitdagingen 
die met voldoende expertise en kapitaal kunnen worden opgelost. Maar 
sommige crises zijn signalen dat een paradigma zijn houdbaarheidsdatum 
nadert. Netcongestie kan worden verholpen met nieuwe kabels en 
transformatoren. De vraag is echter of wij daarmee de onderliggende 
spanning tussen eindigheid en expansie oplossen, of slechts uitstellen.

Wat betekent het om beschaving niet langer te zien als culminatie van 
menselijke ontwikkeling, maar als één mogelijke – en mogelijk tijdelijke 
– vorm van organisatie? Wat betekent het om grenzen niet te ervaren als 
falen, maar als oriëntatiepunten? Het hoogspanningsnet dat zijn maximum 
bereikt, kan worden gelezen als een waarschuwing. Niet dat wij te weinig 
technologie hebben, maar dat wij te weinig maat kennen.

Misschien ligt de werkelijke moderniteit niet in het steeds verder 
verfijnen van onze infrastructuur, maar in de moed om haar schaal te 
herzien. Misschien is volwassenheid als soort niet het vermogen om elke 
grens te doorbreken, maar om te weten wanneer genoeg genoeg is. In die 
zin is de vraag niet hoe wij het net kunnen versterken, maar hoe wij 
onze afhankelijkheid ervan kunnen verminderen. Dat is geen technische, 
maar een existentiële opgave.





More information about the D66 mailing list