[D66] De mythe van vooruitgang en het onvermogen van de beschaving tot een perpetuum mobile
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Mon Dec 22 05:10:27 CET 2025
De mythe van vooruitgang en het onvermogen van de beschaving tot een
perpetuum mobile
Het geloof in vooruitgang behoort tot de hardnekkigste illusies van de
moderne beschaving. Sinds de Verlichting wordt geschiedenis voorgesteld
als een lineaire beweging omhoog: meer kennis, meer welvaart, meer
rationaliteit, meer vrijheid. Deze teleologie suggereert impliciet dat
beschavingen, eenmaal op gang gebracht, zichzelf blijven aandrijven —
als een moreel en technologisch perpetuum mobile. Maar dit geloof is
niet slechts naïef; het is historisch onhoudbaar en filosofisch
incoherent. Beschavingen bewegen zich niet eindeloos vooruit. Zij
bereiken verzadigingspunten, verbruiken hun voorwaarden van bestaan en
gaan uiteindelijk over in stagnatie en verval.
De metafoor van het perpetuum mobile is hier verhelderend. In de
natuurkunde is een dergelijk apparaat onmogelijk: elk systeem kent
entropie, verlies, wrijving. Energie moet van buiten worden toegevoerd;
zonder onderhoud stort het systeem in. Toch veronderstelt het
vooruitgangsdenken precies het tegenovergestelde voor menselijke
beschavingen: dat rationaliteit, techniek en instituties zichzelf
automatisch optimaliseren. Dat deze veronderstelling blijft voortleven,
ondanks overweldigend historisch tegenbewijs, is op zichzelf al een
symptoom van ideologische verblinding.
De geschiedenis is geen ladder, maar een kerkhof. Van het Akkadische
Rijk tot het Romeinse Imperium, van de Maya-steden tot de late
Han-dynastie: telkens zien we hetzelfde patroon. Expansie en
complexiteit leveren aanvankelijk groei op, maar verhogen tegelijkertijd
de structurele kwetsbaarheid. Joseph Tainter heeft overtuigend
aangetoond dat toenemende maatschappelijke complexiteit steeds hogere
energiekosten vereist, terwijl de marginale opbrengsten afnemen. Op een
bepaald punt wordt instandhouding duurder dan verval. Collapse is dan
geen anomalie, maar een rationele uitkomst.
Vooruitgangsideologieën negeren deze dynamiek omdat zij geschiedenis
moreel interpreteren in plaats van systemisch. Technologische innovatie
wordt gezien als een universeel oplosmiddel, niet als een versneller van
afhankelijkheid. Elke nieuwe laag van techniek vereist zeldzame
grondstoffen, mondiale logistiek, gespecialiseerde kennis en politieke
stabiliteit. Beschavingen worden daardoor niet robuuster, maar
fragieler. Hun veerkracht neemt af naarmate hun efficiëntie toeneemt —
een paradox die moderne samenlevingen liever niet onder ogen zien.
Bovendien berust het idee van permanente vooruitgang op een fundamentele
misvatting van menselijke aard. Het veronderstelt dat kennis automatisch
leidt tot wijsheid, en macht tot zelfbeheersing. Maar de menselijke
geschiedenis toont het tegendeel: morele ontwikkeling blijft structureel
achter bij technische capaciteit. De atoombom werd niet voorafgegaan
door een moreel rijpheidsproces; digitale surveillancetechnologie niet
door een consensus over vrijheid. Beschavingen leren sneller hoe zij
kunnen handelen dan waarom zij dat zouden moeten nalaten.
Het geloof in onafgebroken vooruitgang is daarmee niet slechts empirisch
fout, maar gevaarlijk. Het verlamt het vermogen tot zelfkritiek en
normaliseert excessen als “overgangsproblemen”. Ecologische uitputting,
sociale fragmentatie en institutionele erosie worden geïnterpreteerd als
tijdelijke hobbels op weg naar een betere toekomst, in plaats van als
structurele signalen van overschrijding. Zoals Oswald Spengler al
observeerde, herkennen beschavingen hun eigen winter niet; zij blijven
spreken in de taal van de lente.
Dit betekent niet dat alle vooruitgang illusoir is, noch dat verval
moreel wenselijk zou zijn. Het betekent wel dat vooruitgang geen
natuurwet is en zeker geen zelfdragend mechanisme. Beschavingen bestaan
bij de gratie van grenzen: energetisch, ecologisch, cultureel en moreel.
Wanneer die grenzen systematisch worden ontkend, versnelt men precies
datgene wat men denkt te vermijden.
Een volwassen beschavingsdenken zou afscheid nemen van de droom van het
perpetuum mobile. Het zou geschiedenis niet lezen als belofte, maar als
waarschuwing. Niet de vraag “hoe gaan we verder?”, maar “wat put ons
uit?” zou centraal moeten staan. Want beschavingen sterven zelden door
externe vijanden alleen; zij bezwijken meestal aan hun eigen succes,
wanneer groei wordt verward met duurzaamheid en vooruitgang met
onsterfelijkheid.
De tragiek is niet dat beschavingen sterven. De tragiek is dat zij
sterven terwijl zij zichzelf wijsmaken dat dit onmogelijk is.
More information about the D66
mailing list