[D66] De prijs van gekrenkte ego’s en de korting op gebroken levens (!)

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Wed Mar 25 17:18:22 CET 2026


De prijs van gekrenkte ego’s en de korting op gebroken levens

Er is iets grondig mis met een samenleving waarin een verkeerd gezongen 
noot miljoenen kost, maar een verkeerd toegediende dwanginjectie wordt 
afgekocht met een bedrag dat nog geen avond boodschappen dekt. Het 
journaal meldt het bijna achteloos: schadevergoedingen in de 
muziekwereld beginnen inmiddels bij tientallen miljoenen – bedragen die 
met het grootste gemak worden opgehangen aan het elastische begrip 
“reputatieschade”. Ondertussen wordt in de schaduw van dat spektakel een 
heel andere categorie schade afgehandeld: die van mensen die onder de 
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) vallen. Daar ligt het 
gemiddelde bedrag, zo blijkt uit praktijk en studies, ergens rond de 
symbolische orde van grootte van enkele tientjes. Laten we zeggen: €75.

De tegenstelling is zo grotesk dat ze bijna komisch wordt – ware het 
niet dat de consequenties dat allerminst zijn.

I. De inflatie van gekrenkte reputaties

De moderne muziekindustrie heeft een wonderlijk talent ontwikkeld: het 
monetariseren van gevoelens. Niet de gevoelens van luisteraars – die 
leveren via streaming immers nauwelijks nog iets op – maar de gevoelens 
van bedrijven en beroemdheden. Reputatie is daar geen abstractie meer, 
maar een asset class. Een merk. Een financieel instrument dat, wanneer 
het zogenaamd wordt aangetast, ineens tientallen miljoenen waard blijkt.

Wie even terugkijkt, ziet dat deze logica al langer sluimert. In de 
strijd tegen piraterij werden ooit bedragen geëist die elke verhouding 
tot de werkelijkheid verloren. Zo vroeg de muziekindustrie in een zaak 
rond LimeWire aanvankelijk astronomische schadevergoedingen die de 
rechter zelf absurd noemde – bedragen die de totale historische 
opbrengst van de industrie overstegen . Dat was geen juridische 
berekening meer, maar een morele paniek vermomd als rekensom.

Vandaag is het discours verfijnder, maar de onderliggende logica 
identiek: schade hoeft niet meer aantoonbaar te zijn, zolang ze 
voorstelbaar is. En voorstelbaarheid is een rekbaar begrip. Heeft een 
artiest minder streams omdat iemand iets heeft gezegd? Is een label 
imagoschade toegebracht doordat een contract publiekelijk werd 
bekritiseerd? Dan kan dat worden vertaald in miljoenen. Niet omdat het 
bewezen is, maar omdat het denkbaar is.

Ironisch genoeg blijkt uit dezelfde sector dat de daadwerkelijke 
inkomsten voor artiesten vaak marginaal zijn. Zelfs succesvolle 
songschrijvers klagen dat ze nauwelijks kunnen rondkomen van 
streamingopbrengsten . De industrie die beweert enorme schade te lijden, 
keert tegelijkertijd slechts kruimels uit aan haar eigen makers.

Dat is de eerste paradox: de schade is hypothetisch en gigantisch 
wanneer bedrijven haar claimen, maar concreet en minimaal wanneer 
individuen haar ervaren.

II. De Wvggz: waar schade klein wordt gemaakt

Verlaat de wereld van glitter en advocatenkantoren, en stap binnen in de 
realiteit van de Wvggz. Hier gaat het niet om imagoschade, maar om lijf 
en leven. Om mensen die tegen hun wil worden opgenomen, gefixeerd, 
gedwongen behandeld. Hier is schade niet hypothetisch, maar fysiek en 
existentieel.

De wet voorziet in een klachtenprocedure en – op papier – de 
mogelijkheid tot een “billijke schadevergoeding” . Dat klinkt redelijk. 
Rechtvaardig zelfs. Maar wie naar de praktijk kijkt, ziet iets anders: 
een systeem dat schade standaardiseert, minimaliseert en bureaucratiseert.

Er werd zelfs expliciet gewerkt aan een forfaitair stelsel: vaste 
bedragen voor vaste fouten. Efficiënt, zo luidt het argument. Gelijkheid 
bevorderend. Minder emotioneel belastend. Maar ook: een systeem waarin 
de complexiteit van menselijk leed wordt teruggebracht tot een tabel. 
Een soort prijslijst voor onrecht.

Wat is een dag onterechte vrijheidsbeneming waard? Wat kost het om 
zonder toestemming medicatie toegediend te krijgen? Wat is de prijs van 
angst, vernedering, verlies van autonomie?

Blijkbaar: ongeveer €75.

Het bedrag is zo laag dat het nauwelijks nog als compensatie kan worden 
gezien. Het is een gebaar. Een administratieve afronding. Een manier om 
te zeggen: “Ja, er is iets misgegaan – maar laten we het niet overdrijven.”

III. Twee rechtssystemen, twee werkelijkheden

Wat hier zichtbaar wordt, is geen toevallige discrepantie, maar een 
structurele tweedeling.

Aan de ene kant: een juridisch universum waarin economische belangen 
centraal staan. Waar schade wordt berekend op basis van hypothetische 
winsten, toekomstige inkomsten en merkwaarde. Waar advocaten scenario’s 
construeren waarin elk gemist streamtje een potentieel verlies 
vertegenwoordigt.

Aan de andere kant: een wereld waarin de staat ingrijpt in het lichaam 
en de vrijheid van burgers, maar de gevolgen daarvan minimaliseert. Waar 
schade wordt gereduceerd tot procedurele fouten. Waar het systeem vooral 
gericht is op beheersbaarheid, niet op herstel.

De vraag dringt zich op: waarom is reputatie meer waard dan vrijheid?

Het antwoord is even simpel als ongemakkelijk: omdat reputatie eigendom 
is, en vrijheid niet.

IV. De economische logica achter morele absurditeit

In de muziekwereld draait alles om eigendomsrechten. Auteursrecht, 
merkrecht, contractrecht. Deze rechten zijn verhandelbaar, verzekerbaar, 
kapitaliseerbaar. Ze passen perfect binnen het economische systeem. En 
dus worden ze serieus genomen.

Schade aan eigendom kan worden vertaald in geld. En geld is de taal die 
het rechtssysteem het beste spreekt.

Maar schade aan personen – zeker wanneer die personen zich in een 
afhankelijke positie bevinden – is moeilijker te kwantificeren. En wat 
moeilijk te kwantificeren is, wordt vaak geminimaliseerd. Niet uit 
kwaadaardigheid, maar uit systeemlogica.

De Wvggz is daar een voorbeeld van. Het systeem probeert complexiteit te 
reduceren. Procedures te stroomlijnen. Kosten te beheersen. En in dat 
proces verdwijnt de ernst van de schade naar de achtergrond.

Het resultaat is een bizarre asymmetrie: hoe abstracter de schade, hoe 
hoger de vergoeding. Hoe concreter de schade, hoe lager.

V. De esthetiek van verontwaardiging

Er is ook een culturele dimensie. Reputatieschade in de muziekwereld is 
zichtbaar. Het speelt zich af in de media, op sociale platforms, in 
publieke debatten. Het roept emoties op. Verontwaardiging. Sensatie.

Wvggz-zaken daarentegen zijn onzichtbaar. Ze spelen zich af achter 
gesloten deuren. In instellingen. In dossiers. Zonder camera’s, zonder 
hashtags.

En wat niet zichtbaar is, krijgt geen waarde.

De miljoenenclaims in de muziekwereld worden onderdeel van een 
spektakel. Ze bevestigen het idee dat er “veel op het spel staat”. Dat 
reputatie kostbaar is. Dat schade serieus moet worden genomen.

De €75-vergoeding in de ggz is het tegenovergestelde: een signaal dat de 
schade eigenlijk niet zo belangrijk is. Dat het systeem functioneert. 
Dat het incident is afgehandeld.

VI. De banaliteit van juridisch onrecht

Wat het meest verontrustend is, is niet eens de hoogte van de bedragen, 
maar de vanzelfsprekendheid waarmee ze worden geaccepteerd.

Niemand kijkt nog op van een miljoenenclaim wegens reputatieschade. Het 
is onderdeel van het spel. Een strategisch instrument.

Evenmin kijkt iemand nog op van een symbolische vergoeding in de ggz. 
Het is “nu eenmaal zo geregeld”.

Dit is hoe onrecht normaliseert: niet door schokkende excessen, maar 
door alledaagse disproportionaliteit.
VII. Wat is schade eigenlijk?

Misschien moeten we de vraag anders stellen: wat verstaan we eigenlijk 
onder schade?

In de muziekwereld is schade vaak een afgeleide van gemiste winst. Een 
projectie van wat had kunnen zijn. Het is toekomstgericht, speculatief.

In de ggz is schade vaak direct en tastbaar. Het gaat om ervaringen die 
al hebben plaatsgevonden. Om verlies van controle, van waardigheid, van 
vertrouwen.

En toch behandelen we die tweede categorie alsof ze minder zwaar weegt.

Dat suggereert dat ons rechtssysteem niet zozeer geïnteresseerd is in 
schade zelf, maar in de mate waarin schade kan worden geïntegreerd in 
economische logica.

VIII. De prijs van menselijkheid

Stel je voor dat we de logica omdraaien. Dat we dezelfde maatstaven die 
we hanteren voor reputatieschade in de muziekwereld toepassen op 
Wvggz-zaken.

Wat zou een dag onterechte vrijheidsbeneming dan kosten? Wat zou de 
“merkwaarde” zijn van een menselijk leven zonder dwang? Hoeveel is het 
waard om niet tegen je wil behandeld te worden?

De bedragen zouden astronomisch zijn.

Maar dat doen we niet. Omdat het systeem daar niet op is ingericht. 
Omdat het erkennen van zulke schade het systeem zelf zou ondermijnen.

IX. Cynisme als beleid

Er zit een vorm van institutioneel cynisme in deze tweedeling. Niet 
noodzakelijk bewust, maar wel structureel.

Het systeem weet dat lage vergoedingen ontmoedigen. Dat ze procedures 
beperken. Dat ze kosten beheersen.

En dus blijven ze laag.

Tegelijkertijd weet het systeem dat hoge claims in commerciële sectoren 
onderdeel zijn van onderhandelingen. Van machtsspelletjes. En dus worden 
ze toegestaan, soms zelfs aangemoedigd.

Het resultaat is een rechtssysteem dat niet neutraal is, maar selectief 
genereus.

X. Tot slot: een kwestie van waardigheid

De kern van het probleem is niet juridisch, maar moreel.

We hebben een samenleving gecreëerd waarin de waardigheid van een merk 
beter wordt beschermd dan de waardigheid van een mens in een kwetsbare 
positie.

Waarin reputatie een investering is, en menselijkheid een kostenpost.

Waarin miljoenen worden uitgekeerd voor hypothetische schade, en 
tientjes voor daadwerkelijk geleden leed.

Dat is geen technische fout. Dat is een keuze.

En zolang die keuze niet ter discussie wordt gesteld, zullen we blijven 
leven in een wereld waarin een gekrenkt imago duurder is dan een geknakt 
leven.





More information about the D66 mailing list