[D66] Vergelding als volksaard: de lange schaduw van 1672

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Mon Mar 23 10:14:47 CET 2026


Vergelding als volksaard: de lange schaduw van 1672

De Nederlandse zelfbeschrijving als nuchter, tolerant en redelijk volk 
is een zorgvuldig gekoesterde mythe, een spiegel waarin men zichzelf 
graag bewondert maar die bij nadere inspectie barsten vertoont. Onder 
het gladde oppervlak van overlegcultuur en pragmatisme kolkt een 
hardnekkige neiging tot morele verontwaardiging die zich met regelmaat 
ontlaadt in een roep om vergelding. Wie de hedendaagse discussies volgt 
over strafrecht, waarin levenslange opsluiting en tbs met 
dwangverpleging niet zelden worden omarmd als vanzelfsprekende 
antwoorden op ernstige misdrijven, kan zich moeilijk aan de indruk 
onttrekken dat hier meer speelt dan rationele afweging. Het is alsof de 
burger zich niet slechts identificeert met het slachtoffer, maar in zijn 
retoriek de rol van aanklager, rechter en beul tegelijk opeist. Die 
houding, die men gerust daderretoriek kan noemen, lijkt geen toevallige 
ontsporing, maar een terugkerend patroon met diepe historische wortels.

Een cruciaal moment waarin die volksaard zich ongefilterd manifesteerde, 
is de lynchpartij op de gebroeders De Witt in 1672. In dat rampjaar, 
toen de Republiek werd bedreigd door buitenlandse vijanden en interne 
spanningen opliepen, sloeg de publieke opinie om in een collectieve 
razernij. Johan en Cornelis de Witt, ooit gerespecteerde staatslieden, 
werden door een woedende menigte uit de gevangenis gesleept, verminkt en 
vermoord. Het geweld was niet alleen fysiek extreem, maar ook 
symbolisch: de lichamen werden tentoongesteld, delen ervan werden 
afgesneden en zelfs geconsumeerd. Dit was geen spontane eruptie van een 
paar losgeslagen individuen; het was een breed gedragen, bijna ritueel 
voltrokken daad van volksgerechtigheid, gelegitimeerd door geruchten, 
politieke propaganda en een diep gevoelde behoefte aan zondebokken.

Wat zich daar afspeelde, laat zich lezen als een oerscène van 
Nederlandse vergeldingsdrang. De menigte zag zichzelf niet als 
moordenaars, maar als uitvoerders van gerechtigheid. De grens tussen 
recht en wraak vervaagde volledig. In de logica van de massa waren de De 
Witts schuldig, niet zozeer op basis van bewezen feiten, maar omdat hun 
val een gevoel van orde en controle herstelde in een chaotische wereld. 
Dat mechanisme – het projecteren van collectieve angst en frustratie op 
individuele daders, gevolgd door een moreel gelegitimeerde afrekening – 
is sindsdien nooit verdwenen. Het heeft slechts andere vormen aangenomen.

In de moderne rechtsstaat is eigenrichting formeel uitgebannen, maar de 
onderliggende emotie heeft zich verplaatst naar het publieke debat en de 
verwachtingen die men heeft van het strafrecht. Wanneer er een schokkend 
misdrijf plaatsvindt, zwelt al snel de roep aan om maximale straffen. 
Levenslang moet ook echt levenslang zijn, zo klinkt het, en tbs wordt 
gezien als een noodzakelijk instrument om gevaarlijke individuen 
langdurig op te sluiten en te behandelen, desnoods tegen hun wil. Het is 
twijfelachtig of deze instrumenten verdedigbaar zijn binnen een 
juridisch kader. De toon waarop erover wordt gesproken verraadt dat het 
niet alleen gaat om bescherming van de samenleving of resocialisatie van 
de dader; het gaat om vergelding, om het herstellen van een moreel 
evenwicht dat als geschonden wordt ervaren.

De burger die zich in talkshows, op sociale media of in de kroeg 
uitspreekt over strafzaken, hanteert daarbij vaak een taal die dicht 
tegen die van de dader aanligt. Hij spreekt over “afrekenen”, “opsluiten 
en de sleutel weggooien”, “laten voelen wat hij heeft aangericht”. In 
die formuleringen klinkt een verlangen door om de pijn van het 
slachtoffer te spiegelen in het lijden van de dader. Het is een vorm van 
morele symmetrie die intuïtief bevredigend lijkt, maar die weinig te 
maken heeft met de beginselen van een rechtsstaat die juist afstand 
probeert te houden tot emoties van wraak.

Die spanning tussen zelfbeeld en praktijk wordt zelden expliciet 
gemaakt. Men beroept zich op redelijkheid, op de ernst van de feiten, op 
het recht van slachtoffers op erkenning. Maar onder die argumenten ligt 
een affectieve laag die moeilijker te benoemen is: de behoefte om kwaad 
te beantwoorden met kwaad, om orde te herstellen door middel van straf 
die niet alleen functioneel, maar ook punitief is in de meest 
letterlijke zin. Het is precies die laag die de lijn terug naar de 
zeventiende eeuw zichtbaar maakt.

De moord op de De Witts was in essentie een collectieve strafexpeditie, 
uitgevoerd buiten elke formele rechtsgang om. De menigte eigende zich 
het recht toe om te oordelen en te straffen, gedreven door een mengeling 
van angst, woede en politieke manipulatie. In de hedendaagse context is 
die directe actie vervangen door institutionele procedures, maar de 
psychologische dynamiek is herkenbaar. Ook nu is er sprake van een 
publiek dat zich intens betrokken voelt bij strafzaken, dat oordeelt op 
basis van fragmentarische informatie en dat sterke emoties ervaart bij 
de gedachte dat een dader mogelijk “te licht” gestraft wordt.

Het is verleidelijk om dit af te doen als een universeel menselijk 
fenomeen. In zekere zin is dat ook zo: elke samenleving kent vormen van 
vergeldingsdrang. Maar de Nederlandse context heeft specifieke kenmerken 
die deze neiging een eigen kleur geven. De nadruk op gelijkheid en 
rechtvaardigheid, die in andere domeinen vaak als deugd wordt geprezen, 
kan in het strafrecht omslaan in een rigide opvatting dat straf in 
exacte verhouding moet staan tot het gepleegde kwaad. Elke afwijking 
daarvan wordt al snel ervaren als onrecht, niet alleen door 
slachtoffers, maar door de gemeenschap als geheel.

Daar komt bij dat de Nederlandse consensuscultuur, waarin men gewend is 
om via overleg tot oplossingen te komen, paradoxaal genoeg weinig ruimte 
laat voor ambiguïteit in morele kwesties. Wanneer er eenmaal een breed 
gedeeld oordeel is gevormd over een dader, wordt dat oordeel zelden nog 
ter discussie gesteld. Twijfel wordt gezien als zwakte, nuance als 
relativering van het leed van slachtoffers. In zo’n klimaat krijgt de 
roep om zware straffen een vanzelfsprekendheid die moeilijk te 
doorbreken is.

Tbs met dwangverpleging is een interessant voorbeeld van deze spanning. 
In theorie is het een maatregel die gericht is op behandeling en 
beveiliging, niet op vergelding. De dader wordt niet gestraft omdat hij 
slecht is, maar behandeld omdat hij ziek is en een gevaar vormt. In de 
praktijk wordt tbs echter vaak ervaren en besproken als een verlengstuk 
van straf, soms zelfs als zwaarder dan een lange gevangenisstraf omdat 
de duur onbepaald is. De publieke opinie heeft moeite met het idee dat 
een dader ooit weer vrij zou kunnen komen, ook als deskundigen aangeven 
dat het risico beheersbaar is. Het wantrouwen is groot, en de neiging om 
zekerheid te zoeken in langdurige opsluiting overheerst.

Levenslange gevangenisstraf wordt in dat licht gezien als het ultieme 
antwoord op onherstelbaar kwaad. Het idee dat iemand nooit meer 
terugkeert in de samenleving biedt een gevoel van afsluiting en 
veiligheid. Maar ook hier speelt meer dan alleen rationele 
risicobeheersing. Het is de definitieve uitsluiting van de dader, een 
symbolische verwijdering van het kwaad uit de gemeenschap. In zekere zin 
is het de geciviliseerde variant van de fysieke eliminatie die in 1672 
plaatsvond: niet langer een lynchpartij op straat, maar een juridische 
doodstraf in de vorm van permanente opsluiting.

De continuïteit tussen deze historische en hedendaagse vormen van 
vergelding zit niet in de letterlijke handelingen, maar in de 
onderliggende logica. Het is de overtuiging dat sommige daden zo ernstig 
zijn dat ze een uitzonderlijke reactie rechtvaardigen, een reactie die 
verder gaat dan herstel of preventie en die gericht is op het bestraffen 
van de dader als moreel wezen. Die overtuiging wordt gevoed door emoties 
die diep verankerd zijn in de collectieve beleving van recht en onrecht.

De vraag is in hoeverre de Nederlandse samenleving bereid is om deze 
dynamiek onder ogen te zien. Zolang men vasthoudt aan het zelfbeeld van 
redelijkheid en tolerantie, blijft de vergeldingsdrang iets dat men 
liever niet benoemt. Het wordt verpakt in termen van rechtvaardigheid, 
veiligheid en solidariteit met slachtoffers. Dat zijn op zichzelf 
legitieme waarden, maar ze kunnen ook dienen als dekmantel voor minder 
nobele impulsen.

Een eerlijker benadering zou erkennen dat de behoefte aan vergelding een 
reëel en begrijpelijk onderdeel is van menselijke psychologie, maar dat 
het de taak van de rechtsstaat is om die behoefte te kanaliseren en te 
begrenzen. Dat betekent dat straf niet uitsluitend mag worden bepaald 
door publieke verontwaardiging, hoe begrijpelijk die ook is. Het 
betekent ook dat er ruimte moet zijn voor discussie over de doelen van 
straf, inclusief de vraag in hoeverre vergelding daarin een plaats moet 
hebben.

De geschiedenis van de De Witts laat zien wat er gebeurt wanneer die 
begrenzing wegvalt en de massa het heft in eigen handen neemt. Het is 
een extreme casus, maar juist daardoor onthullend. Dezelfde mechanismen 
die toen speelden – de zoektocht naar schuldigen, de escalatie van 
verontwaardiging, de legitimering van geweld als gerechtigheid – zijn in 
mildere vorm nog altijd aanwezig. Ze uiten zich niet meer in fysieke 
lynchpartijen, maar in een discursieve omgeving waarin de dader al snel 
wordt ontmenselijkt en waarin de roep om harde straffen de boventoon voert.

Dat betekent niet dat de Nederlandse samenleving gedoemd is om deze 
patronen te herhalen. Bewustwording kan leiden tot verandering. Maar dat 
vereist wel dat men bereid is om het eigen zelfbeeld kritisch te 
onderzoeken en te erkennen dat onder de oppervlakte van tolerantie en 
redelijkheid ook andere krachten werkzaam zijn. Zolang die erkenning 
uitblijft, blijft de vergeldingsdrang zich vermommen als 
rechtvaardigheid, en blijft de echo van 1672 hoorbaar in de manier 
waarop men vandaag spreekt over misdaad en straf.

De burger die zich bedient van daderretoriek, die in zijn woorden al een 
vonnis velt en een straf uitvoert, is niet slechts een individu dat zijn 
mening geeft. Hij is de drager van een historische continuïteit, een 
traditie van morele verontwaardiging die zowel begrijpelijk als 
problematisch is. In zijn stem klinkt de menigte van toen door, minder 
luid en minder gewelddadig, maar nog altijd herkenbaar.

Het is die herkenning die ongemakkelijk is, omdat zij botst met het 
beeld dat men van zichzelf wil hebben. Maar juist in dat ongemak ligt de 
mogelijkheid tot reflectie. Als de Nederlandse samenleving erin slaagt 
om haar eigen vergeldingsdrang onder ogen te zien en te begrijpen, kan 
zij wellicht een evenwicht vinden tussen rechtvaardigheid en 
menselijkheid dat verder gaat dan de reflex van straffen en uitsluiten. 
Als dat niet gebeurt, blijft het risico bestaan dat de geschiedenis zich 
niet letterlijk herhaalt, maar wel rijmt – in de harde woorden, de 
onwrikbare oordelen en de diepe behoefte om kwaad met kwaad te vergelden.




More information about the D66 mailing list