[D66] Driedelig Pak, Eendimensionale Ziel

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Wed Mar 18 07:48:21 CET 2026


[U gaat vandaag toch niet stemmen op zo'n eendimensionale burgerman?? 
Dat kan echt niet meer...]

Driedelig Pak, Eendimensionale Ziel

Het is een geruststellende gedachte dat de wereld nog steeds wordt 
gedragen door het onwrikbare fundament van het burgermansfatsoen. Dat 
fundament, zorgvuldig gepoetst met regels, conventies en een bijna 
religieuze toewijding aan middelmatigheid, vormt de ruggengraat van de 
samenleving. Zonder deze stille kracht zouden we immers overgeleverd 
zijn aan spontaniteit, oprechte emotie en – huiveringwekkender nog – 
individuele originaliteit. Gelukkig is daar de burgerman, die als een 
wandelend protocolboekje door het leven gaat en ons herinnert aan hoe 
het hoort. Niet hoe het voelt, niet hoe het is, maar hoe het hoort.

De burgerman herkent men onmiddellijk. Niet aan iets opvallends, want 
dat zou onfatsoenlijk zijn, maar juist aan de zorgvuldig gecultiveerde 
onopvallendheid. Hij – want het is meestal een hij, al heeft hij het 
moderne vocabulaire van inclusiviteit volledig omarmd – beweegt zich 
voort in een staat van permanente correctheid. Zijn glimlach is niet te 
breed, zijn mening niet te scherp, zijn gedrag nooit grensverleggend. 
Hij is een meester in het vermijden van alles wat leven interessant 
maakt. In plaats daarvan kiest hij voor veiligheid, voor 
voorspelbaarheid, voor het geruststellende idee dat alles binnen de 
lijntjes blijft.

Men zou kunnen denken dat dit een vorm van discipline is, maar dat zou 
de burgerman te veel eer geven. Discipline impliceert immers een 
innerlijke strijd, een bewuste keuze tegen verleiding. De burgerman kent 
die strijd niet. Hij is geen overwinnaar van zijn impulsen, maar 
simpelweg iemand die nooit heeft geleerd dat ze bestaan. Zijn wereld is 
een zorgvuldig afgebakend terrein waarbinnen alles een plaats heeft en 
niets uit de toon valt. Hij leeft niet, hij functioneert. En dat doet 
hij met een toewijding die grenst aan het heroïsche, ware het niet dat 
het zo volstrekt saai is.

In deze wereld van keurigheid speelt de politicus een cruciale rol. De 
politicus is, in zekere zin, de burgerman die promotie heeft gemaakt. 
Waar de gewone burger zich beperkt tot het naleven van regels, heeft de 
politicus het tot zijn taak gemaakt om die regels te formuleren, te 
verfijnen en vooral te vermenigvuldigen. Hij is de architect van het 
fatsoen, de hoeder van de norm, de priester van het compromis. Zijn 
woorden zijn zorgvuldig gewogen, zijn uitspraken ontdaan van elke vorm 
van scherpte. Hij spreekt veel, maar zegt weinig, en dat is precies de 
bedoeling.

Het is een kunst op zich om zoveel mogelijk te zeggen zonder iets te 
betekenen, en de politicus beheerst deze kunst tot in de perfectie. Hij 
spreekt in zinnen die rond zijn, maar nergens landen. Hij gebruikt 
woorden die vertrouwd klinken, maar niets oproepen. Zijn taal is een 
mist waarin alles verdwijnt wat concreet of confronterend zou kunnen 
zijn. En dat is maar goed ook, want duidelijkheid is gevaarlijk. 
Duidelijkheid kan leiden tot verantwoordelijkheid, en 
verantwoordelijkheid is iets wat men in deze kringen liever vermijdt.

De politicus is ook een meester in het uitstralen van betrokkenheid 
zonder daadwerkelijk betrokken te zijn. Hij knikt op de juiste momenten, 
toont empathie wanneer dat verwacht wordt, en spreekt met warme woorden 
over problemen die hij zorgvuldig op afstand houdt. Zijn betrokkenheid 
is een performance, een zorgvuldig ingestudeerde rol die hij met 
overtuiging speelt. En het publiek, dat gewend is geraakt aan deze vorm 
van theater, applaudisseert beleefd en gaat vervolgens weer over tot de 
orde van de dag.

Dan is er de ambtenaar, de stille kracht achter de schermen, de ware 
motor van het systeem. Als de politicus de architect is, dan is de 
ambtenaar de uitvoerder, de bewaker van de details, de man (of vrouw, 
maar laten we eerlijk zijn, ook hier is de das nog steeds dominant) die 
ervoor zorgt dat alles volgens plan verloopt. De ambtenaar is de ultieme 
belichaming van het burgermansfatsoen: nauwkeurig, correct, en bovenal 
onzichtbaar.

Men herkent de ambtenaar aan zijn driedelige pak, zijn das die met 
mathematische precisie is gestrikt, en zijn blik die tegelijkertijd 
aanwezig en afwezig lijkt. Hij is er, maar hij is er niet echt. Hij 
handelt, maar zonder persoonlijkheid. Zijn werk is zijn identiteit, en 
zijn identiteit is zijn werk. Hij is een radertje in een machine die zo 
complex is dat niemand nog precies weet wat het doel ervan is. Maar dat 
doet er niet toe, zolang de machine blijft draaien.

Het driedelige pak is hier geen toevallige keuze. Het is een uniform, 
een symbool van orde en controle. Het vertelt de wereld dat de drager 
ervan geen verrassingen in petto heeft, dat hij zich houdt aan de 
regels, dat hij betrouwbaar is. Het is een harnas tegen individualiteit, 
een schild dat elke vorm van spontaniteit afweert. De das, strak 
geknoopt rond de hals, is de kers op de taart: een visuele herinnering 
aan de zelfopgelegde beperking die deze wereld definieert.

Men zou kunnen denken dat deze mensen, gevangen in hun eigen keurslijf, 
een zekere tragiek met zich meedragen. Maar dat zou opnieuw te veel eer 
zijn. Tragiek veronderstelt een besef van gemis, een verlangen naar iets 
anders. De burgerman, de politicus en de ambtenaar kennen dat verlangen 
niet. Zij zijn tevreden in hun middelmatigheid, comfortabel in hun 
voorspelbaarheid. Zij hebben geen behoefte aan verandering, want 
verandering brengt onzekerheid, en onzekerheid is het grootste kwaad dat 
men zich kan voorstellen.

En zo ontstaat een wereld waarin alles klopt, maar niets leeft. Een 
wereld waarin regels belangrijker zijn dan mensen, waarin procedures 
zwaarder wegen dan inhoud, waarin fatsoen een doel op zich is geworden. 
Het is een wereld die zichzelf in stand houdt, niet omdat zij goed is, 
maar omdat zij veilig is. En veiligheid, zo heeft men besloten, is 
belangrijker dan alles.

Toch is er iets merkwaardigs aan deze obsessie met fatsoen. Want wat is 
fatsoen eigenlijk anders dan een set afspraken over hoe men zich dient 
te gedragen? En wie heeft die afspraken gemaakt? Juist, dezelfde mensen 
die er het meeste baat bij hebben dat alles blijft zoals het is. Het 
burgermansfatsoen is geen neutraal gegeven, maar een instrument van 
controle, een manier om afwijking te bestraffen en conformiteit te belonen.

Wie zich niet aanpast, wordt gezien als lastig, als ongepast, als iemand 
die de orde verstoort. En orde, dat is heilig. Dus wordt de afwijking 
genegeerd, gemarginaliseerd, of – in het beste geval – vriendelijk maar 
beslist gecorrigeerd. Men glimlacht, men knikt, en men maakt duidelijk 
dat er grenzen zijn. Grenzen die niet overschreden mogen worden, tenzij 
men bereid is de consequenties te dragen.

In dit licht bezien is het misschien niet zo vreemd dat het aura van een 
burgerman een zekere afkeer oproept. Niet omdat de burgerman op zichzelf 
zo’n slecht mens is, maar omdat hij symbool staat voor alles wat 
verstikkend is aan deze wereld. Zijn aanwezigheid is een herinnering aan 
de beperkingen die ons worden opgelegd, aan de verwachtingen waaraan we 
moeten voldoen, aan de vrijheid die we hebben opgegeven in ruil voor 
zekerheid.

Het idee dat iemand die dit aura uitstraalt genegeerd zou moeten worden, 
is dan ook minder radicaal dan het op het eerste gezicht lijkt. Het is 
geen oproep tot haat, maar tot onverschilligheid. En onverschilligheid 
is misschien wel het meest effectieve wapen tegen een systeem dat gedijt 
bij erkenning en bevestiging. Door de burgerman te negeren, ontneem je 
hem zijn belangrijkste bron van legitimiteit: de erkenning dat zijn 
manier van leven de norm is.

Natuurlijk is dit makkelijker gezegd dan gedaan. Want het 
burgermansfatsoen zit diep verankerd in onze cultuur, in onze opvoeding, 
in onze manier van denken. Het is niet iets wat je zomaar van je 
afschudt. Het vraagt om bewustzijn, om moed, om de bereidheid om buiten 
de lijntjes te kleuren. En dat is precies wat deze wereld probeert te 
voorkomen.

Toch zijn er altijd mensen die zich niet laten temmen, die weigeren zich 
te voegen naar de norm, die het risico nemen om anders te zijn. Zij 
worden vaak gezien als lastig, als rebels, als onvoorspelbaar. Maar 
misschien zijn zij wel de enigen die werkelijk leven. Misschien zijn zij 
de barsten in het gladde oppervlak van het burgermansfatsoen, de plekken 
waar iets nieuws kan ontstaan.

En misschien, heel misschien, is dat precies wat deze wereld nodig 
heeft. Niet meer regels, niet meer fatsoen, niet meer driedelige pakken 
met dassen, maar een beetje chaos, een beetje eerlijkheid, een beetje 
lef. Want zonder dat blijft er uiteindelijk weinig over dan een perfect 
geordende leegte, een wereld waarin alles klopt, maar niets ertoe doet.

Dus laat de burgerman zijn regels houden, de politicus zijn woorden, en 
de ambtenaar zijn formulieren. Laat hen hun spel spelen, hun rollen 
vervullen, hun wereld in stand houden. Maar laten we vooral niet doen 
alsof dat de enige manier is om te leven. Laten we de moed hebben om weg 
te kijken, om niet mee te doen, om ons niet te laten vangen in het net 
van fatsoen dat zo zorgvuldig is gespannen.

Want uiteindelijk is het misschien wel het grootste teken van vrijheid: 
niet dat je vecht tegen het systeem, maar dat je het simpelweg negeert. 
Dat je je eigen weg gaat, ongeacht wat de regels voorschrijven, ongeacht 
wat de norm dicteert. En in die keuze, in die stille weigering om mee te 
doen, schuilt een kracht die geen enkele politicus, geen enkele 
ambtenaar en geen enkele burgerman ooit volledig zal begrijpen.



More information about the D66 mailing list