[D66] Het opgeblazen niets van Rob Jetten
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Fri Jan 30 21:38:10 CET 2026
Het opgeblazen niets van Rob Jetten
Er is een bepaald soort zelfvertrouwen dat niet voortkomt uit inzicht,
ervaring of tragisch besef, maar uit de overtuiging dat complexiteit
vooral een communicatieprobleem is. Rob Jetten belichaamt dat type tot
in perfectie. Zijn ego is niet het klassieke ego van de brullende
machtsmens, maar het gladde, zelfverzekerde ego van de manager die denkt
dat alles te sturen is zolang de juiste woorden worden gebruikt, de
juiste schema’s worden gehanteerd en het juiste optimisme wordt
uitgestraald. Het is een ego dat zich vermomt als redelijkheid, maar in
werkelijkheid doordrenkt is van minachting voor alles wat zich niet laat
managen.
Jetten is de politicus die denkt dat een land een organisatie is, dat
burgers stakeholders zijn en dat geschiedenis een set performance
parameters kent die je met voldoende “regie” kunt bijsturen. Dat is geen
onschuldige misvatting, maar een gevaarlijke. Want Nederland is geen
bedrijf in transitie, geen project met milestones, geen beleidsroadmap
die je kunt “uitrollen”. Nederland is een door en door verrot, gespleten
land, getekend door wantrouwen, ongelijkheid, institutioneel geweld en
een politieke klasse die decennialang haar eigen falen heeft afgedekt
met proces en jargon. Dat is geen omgeving waarin halfgaar optimisme een
deugd is. Dat is een omgeving waarin optimisme zonder tragisch
bewustzijn grenst aan arrogantie.
Het opgeblazen ego van Jetten zit niet in volume, maar in
vanzelfsprekendheid. In de manier waarop hij spreekt alsof zijn positie
logisch is, zijn oplossingen evident en zijn wereldbeeld gedeeld. Hij
spreekt niet als iemand die een land probeert te begrijpen, maar als
iemand die ervan uitgaat dat hij het al begrijpt. De glimlach is vast,
de toon is beheerst, de boodschap geruststellend. Maar achter die
beheersing schuilt een diep geloof in zichzelf als degene die “het
overzicht” heeft. Dat is geen leiderschap, dat is technocratische
zelfverheerlijking.
Wat Jetten fundamenteel niet lijkt te begrijpen, is dat het probleem van
Nederland niet een gebrek aan coördinatie is, maar een gebrek aan
rechtvaardigheid. Niet een tekort aan regie, maar een overschot aan
macht zonder verantwoordelijkheid. Niet een falende uitvoering, maar een
politieke cultuur die structureel wegkijkt van de gevolgen van haar
eigen keuzes. In plaats van die werkelijkheid onder ogen te zien, komt
Jetten met managersstaal. Met “weerbaarheid”, “samenwerking”, “balans”,
“realistische ambities”. Woorden die niets openen en niets riskeren,
maar alles afdekken.
Zijn ego blijkt juist in die weigering om echt risico te nemen. Jetten
presenteert zichzelf als moedig en vooruitstrevend, maar zijn politiek
is diep conformistisch. Hij beweegt zich altijd binnen de veilige kaders
van wat bestuurlijk acceptabel is, wat internationaal netjes staat, wat
financieel “verantwoord” oogt. Dat hij dit verkoopt als visie, verraadt
een overschatting van zijn eigen intellectuele gewicht. Alsof het
vermijden van conflict hetzelfde is als het overstijgen ervan. Alsof
consensus een morele kwaliteit is, en geen symptoom van machtsongelijkheid.
De manager in Jetten gelooft heilig in controle. In plannen, in
afspraken, in overlegstructuren. Maar wat hij controle noemt, is in
werkelijkheid wantrouwen. Wantrouwen in burgers die zonder sturing
ontsporen. Wantrouwen in bewegingen die niet netjes binnen de lijntjes
kleuren. Wantrouwen in emoties die niet in beleidsnota’s passen. Dat
wantrouwen wordt nooit uitgesproken, maar het structureert zijn hele
politieke houding. En juist dat maakt zijn optimisme zo vals. Het is
geen optimisme over mensen, maar over systemen. Niet over solidariteit,
maar over procedures. Niet over verandering, maar over beheersing.
Het ego van Jetten is ook zichtbaar in zijn omgang met kritiek. Kritiek
is voor hem zelden een inhoudelijke uitdaging; het is een misverstand,
een framingprobleem, een gebrek aan uitleg. Wie fundamenteel bezwaar
maakt tegen zijn koers, begrijpt de complexiteit niet, ziet het grotere
plaatje niet, is te emotioneel of te radicaal. Dat is de klassieke
reflex van de manager die zich intellectueel superieur waant aan de
mensen die hij bestuurt. Niet omdat hij harder werkt of dieper denkt,
maar omdat hij dichter bij de macht staat.
En dan dat optimisme. Altijd dat optimisme. Het optimisme dat zegt dat
Nederland “het kan”, dat we “alles in huis hebben”, dat de toekomst
“maakbaar” blijft zolang we maar verstandig blijven. In een land waar
het vertrouwen in de overheid is verwoest, waar burgers door systemen
zijn vermalen, waar crises zich opstapelen zonder structurele
oplossingen, is dat optimisme geen hoop, maar ontkenning. Het is de
vrolijke façade van iemand die weigert te erkennen hoe diep de schade
is. En die weigering is geen onwetendheid, maar keuze.
Want echt pessimisme zou tot andere conclusies leiden. Tot het besef dat
sommige instituties fundamenteel moeten worden afgebroken. Dat sommige
belangen niet verzoend kunnen worden. Dat macht moet worden ingeperkt,
niet beter gemanaged. Dat rechtvaardigheid soms belangrijker is dan
stabiliteit. Dat zou moed vereisen. Maar Jetten kiest voor optimisme,
omdat optimisme geen offers vraagt van de machthebber. Het vraagt alleen
vertrouwen in jezelf.
Het opgeblazen ego van Jetten zit dus niet in branie, maar in morele
zelfgenoegzaamheid. In het idee dat hij aan de goede kant van de
geschiedenis staat omdat hij netjes, redelijk en internationaal ingebed
opereert. Dat hij geen scherpe randen heeft, geen vuisten maakt, geen
schandalen veroorzaakt. Maar juist die gladheid is het probleem. Want
een land dat zo diep verdeeld en beschadigd is als Nederland, heeft geen
behoefte aan een manager met een glimlach. Het heeft behoefte aan iemand
die durft te zeggen dat het systeem faalt, en bereid is daar
consequenties aan te verbinden.
In plaats daarvan krijgen we iemand die denkt dat het land gerepareerd
kan worden met beleidsupdates. Dat sociale woede kan worden
gekanaliseerd met participatieprocessen. Dat structurele ongelijkheid
kan worden afgevlakt met enveloppen en fondsen. Dat militarisering kan
worden verkocht als verantwoordelijkheid. Dat allemaal omdat hij gelooft
in zijn eigen vermogen om de boel bij elkaar te houden. Dat is geen
visie, dat is ego.
En misschien is dat wel de kern: Rob Jetten gelooft niet zozeer in
Nederland, als wel in zijn eigen rol daarin. In zijn vermogen om te
verbinden, te sturen, te kalmeren. Hij ziet zichzelf als de redelijke
figuur in een onredelijke tijd. Maar wie zichzelf zo centraal stelt,
ziet onvermijdelijk minder van de werkelijkheid. Dan wordt kritiek
achtergrondruis, woede een communicatiefout en wantrouwen een tijdelijk
sentiment. Dan wordt politiek een vorm van zelfbevestiging.
Een verrot en gespleten land laat zich niet leiden door iemand die denkt
dat leiderschap vooral betekent dat je rustig blijft. Rust zonder
rechtvaardigheid is geen deugd. Optimisme zonder waarheid is geen hoop.
En management zonder besef van macht is geen bestuur, maar zelfbedrog.
Het probleem met het ego van Rob Jetten is niet dat het groot is, maar
dat het leeg is: gevuld met taal, schema’s en goede bedoelingen, maar
zonder werkelijk begrip van de afgrond waar dit land al jaren langs schuurt.
More information about the D66
mailing list