[D66] Tegen het liberalisme en het moderniseringsfront

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Mon Jan 26 06:30:49 CET 2026


Tegen het liberalisme en het moderniseringsfront

Het nihilisme van de moderniteit manifesteert zich niet langer primair 
als een expliciete ontkenning van waarden, maar als een veel subtielere 
en daarom gevaarlijkere houding: onverschilligheid. Waar het klassieke 
nihilisme nog de dramatische gestalte aannam van rebellie, wanhoop of 
metafysische ontkenning, verschijnt het hedendaagse nihilisme als een 
stille vanzelfsprekendheid, ingebed in het dagelijks leven van het 
liberale individu. Deze onverschilligheid is geen accidentele houding, 
maar het logische eindpunt van een wereldbeeld dat vrijheid definieert 
als keuze zonder inhoud en subjectiviteit als losgemaakt van iedere 
transcendente of traditionele grond. In die zin is het nihilisme niet de 
vijand van het liberalisme, maar zijn voltooiing.

De moderne mens beschouwt zichzelf graag als vrij. Hij ervaart vrijheid 
als de afwezigheid van externe dwang en als de mogelijkheid om zijn 
leven vorm te geven volgens persoonlijke voorkeuren. Maar deze vrijheid 
is paradoxaal leeg. Zij is formeel, procedureel en negatief: vrijheid 
van, niet vrijheid tot. Het individu is vrij van traditie, vrij van 
metafysica, vrij van gemeenschap, vrij van lotsbestemming. Wat 
overblijft is een geïsoleerd bewustzijn dat voortdurend moet kiezen, 
maar niet meer weet waarom het zou kiezen, laat staan waarvoor. De 
moderniteit heeft de mens bevrijd van zijn wortels en noemt dit 
emancipatie, terwijl zij hem in werkelijkheid berooft van de voorwaarden 
die vrijheid überhaupt betekenisvol maken.

René Guénon heeft deze ontwikkeling reeds in het begin van de twintigste 
eeuw met scherpe helderheid geanalyseerd. In zijn kritiek op de moderne 
wereld beschrijft hij hoe de breuk met de traditie leidt tot een 
degeneratie van kennis, zijn en samenleving. Traditie, in Guénons zin, 
is geen verzameling gebruiken of folklore, maar de levende overdracht 
van principiële, metafysische waarheden die de mens situeren binnen een 
kosmische orde. Wanneer deze overdracht wordt verbroken, verliest de 
mens niet alleen zijn oriëntatie, maar ook zijn ontologische diepte. Hij 
wordt gereduceerd tot een kwantitatief, functioneel en meetbaar wezen. 
De moderne wereld, aldus Guénon, is het rijk van de hoeveelheid, waarin 
kwaliteit en betekenis systematisch worden geërodeerd.

Deze erosie van betekenis vertaalt zich op existentieel niveau in 
onverschilligheid. Niet omdat de moderne mens niets meer zou voelen, 
maar omdat zijn gevoelens geen vaste as meer hebben waaromheen zij 
kunnen cirkelen. Alles wordt gelijkwaardig, en juist daardoor 
betekenisloos. Waarden worden gereduceerd tot voorkeuren, overtuigingen 
tot meningen, waarheden tot perspectieven. In zo’n wereld is er niets 
meer waarvoor men werkelijk kan sterven, en uiteindelijk ook niets meer 
waarvoor men werkelijk kan leven. Onverschilligheid is hier geen 
psychologische afwijking, maar een rationele aanpassing aan een wereld 
waarin niets intrinsiek bindend is.

Het liberale individu, dat zichzelf begrijpt als autonoom en 
zelfbepalend, is in werkelijkheid geatomiseerd. Hij staat niet in een 
organische verhouding tot een gemeenschap, een geschiedenis of een 
transcendente orde, maar zweeft in een abstract sociaal veld van 
contracten, rechten en marktrelaties. Deze atomisering wordt vaak 
voorgesteld als een overwinning op onderdrukkende structuren uit het 
verleden, maar zij creëert een nieuwe, meer diffuse vorm van onvrijheid. 
Want wie nergens toe behoort, is overgeleverd aan alles. Zonder traditie 
ontbreekt het individu een innerlijk kompas dat hem in staat stelt 
weerstand te bieden aan de anonieme krachten van economie, technologie 
en massaculturele normen.

Alexander Doegin heeft dit proces beschreven in termen van een 
ontwortelde subjectiviteit die het eindstadium vormt van wat hij de 
liberale moderniteit noemt. In zijn kritiek op het liberalisme stelt hij 
dat het liberale project noodzakelijk uitmondt in de ontbinding van alle 
collectieve identiteiten: volk, cultuur, religie, geslacht, en 
uiteindelijk zelfs de mens zelf. Het liberale individu is geen positieve 
antropologische figuur, maar een restcategorie: dat wat overblijft nadat 
alle substantieve bepalingen zijn verwijderd. Vrijheid wordt hier niet 
ervaren als zelfverwerkelijking binnen een orde, maar als de permanente 
mogelijkheid om zichzelf te herdefiniëren, wat in de praktijk leidt tot 
een chronische instabiliteit van het zelf.

Deze instabiliteit voedt het nihilisme als onverschilligheid. Wanneer 
identiteit vloeibaar wordt en waarheid contingent, verliest engagement 
zijn zwaartekracht. Men kan zich tijdelijk verbinden aan een zaak, een 
ideologie of een relatie, maar altijd onder het voorbehoud dat men zich 
weer kan losmaken. Alles is omkeerbaar, voorlopig en vervangbaar. De 
moderne mens leeft in de modus van ironie: hij neemt niets volledig 
ernstig, omdat ernst een vorm van binding impliceert, en binding wordt 
ervaren als een bedreiging van de autonomie. Zo ontstaat een cultuur 
waarin cynisme wordt verward met intelligentie en afstand met vrijheid.

De afwezigheid van traditie speelt hierin een cruciale rol. Traditie 
functioneert niet slechts als een verzameling antwoorden uit het 
verleden, maar als een structuur van vragen die het leven richting 
geven. Zij biedt de mens een plaats in een verhaal dat hem voorafgaat en 
hem overstijgt. Zonder deze inbedding wordt het individu gedwongen zijn 
eigen betekenis te produceren, maar deze productie vindt plaats in een 
vacuüm. Betekenis wordt een project, geen gegeven, en projecten kunnen 
mislukken of worden opgegeven. Het resultaat is existentiële 
vermoeidheid: de last van absolute zelfverantwoordelijkheid zonder 
transcendente horizon.

In deze context is de bewering dat er in de moderniteit geen echte 
vrijheid bestaat geen provocatie, maar een diagnose. Vrijheid 
veronderstelt immers niet alleen keuze, maar ook zinvolle beperkingen. 
Zoals Guénon benadrukt, is iedere orde gebaseerd op principes die niet 
gekozen worden, maar ontvangen. De moderne mens weigert deze ontvangst 
en eist soevereiniteit, maar verliest daarmee de toegang tot een hogere 
orde waarin zijn handelen betekenis zou kunnen krijgen. Zijn vrijheid is 
die van een schip zonder kompas: het kan alle richtingen uit, maar weet 
niet waarheen.

Het nihilisme als onverschilligheid is daarom geen toevallig bijproduct 
van de moderniteit, maar haar innerlijke waarheid. Het is de toestand 
van een wereld waarin alles mogelijk is, maar niets noodzakelijk; waarin 
alles toegestaan is, maar niets geboden; waarin de mens alles mag zijn, 
maar niets hoeft te zijn. Deze radicale openheid, vaak geprezen als 
pluralisme of tolerantie, maskeert een diepe ontlediging. Want waar geen 
hiërarchie van waarden meer bestaat, verliest het leven zijn verticale 
dimensie. Alles speelt zich af op hetzelfde vlak, en juist daardoor 
verdwijnt de mogelijkheid van transcendentie.

Doegin ziet in deze situatie niet alleen een crisis van de mens, maar 
van het zijn zelf zoals het in de moderniteit wordt verstaan. Het 
moderne wereldbeeld ontkent iedere metafysische diepte en reduceert de 
werkelijkheid tot wat functioneel, meetbaar en manipuleerbaar is. In 
zo’n wereld is de mens geen brug tussen hemel en aarde, maar een 
consument en producent van ervaringen. Zijn bewustzijn is gericht op het 
onmiddellijke en het tijdelijke, niet op het eeuwige. Onverschilligheid 
is hier de passende affectieve toestand: zij correspondeert met een 
ontologisch afgeplatte werkelijkheid.

Toch is deze toestand niet stabiel. Onverschilligheid kan slechts 
bestaan zolang zij niet wordt geconfronteerd met haar eigen leegte. 
Wanneer crises zich aandienen – existentieel, sociaal of politiek – 
blijkt de moderniteit slecht toegerust om zinvolle antwoorden te 
formuleren. De roep om vrijheid klinkt hol wanneer men niet meer weet 
waarvoor men vrij zou moeten zijn. In zulke momenten openbaart zich de 
tragiek van het liberale individu: hij is bevrijd van alles, behalve van 
de noodzaak om te leven, maar hij mist de symbolische en spirituele 
middelen om dit leven te dragen.

De herwaardering van traditie, zoals voorgesteld door denkers als Guénon 
en Doegin, moet in dit licht niet worden begrepen als een nostalgische 
terugkeer naar het verleden, maar als een radicale kritiek op het heden. 
Traditie is geen regressie, maar een verticale opening: zij herstelt de 
verbinding tussen het menselijke en het transcendente, tussen vrijheid 
en waarheid, tussen individu en gemeenschap. Zonder deze verbinding 
blijft vrijheid een leeg begrip en onverschilligheid haar 
onvermijdelijke keerzijde.

Het nihilisme van de moderniteit is dus niet zozeer een actieve 
ontkenning van waarden, maar een passieve afwezigheid ervan. Het is de 
toestand van een wereld die vergeten is dat zij ooit geworteld was in 
iets dat groter was dan de mens zelf. Zolang de moderniteit deze 
vergetelheid blijft vieren als vooruitgang, zal zij gevangen blijven in 
de paradox van een vrijheid die niets betekent en een individu dat alles 
mag zijn, behalve werkelijk vrij.


More information about the D66 mailing list