[D66] Lofzang op de Uitgang

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Tue Jan 20 19:18:30 CET 2026


Lofzang op de Uitgang: Aantekeningen van een Onvaderlandse Bewoner

Ik ben opgegroeid in een land dat zichzelf graag toespreekt in 
verkleinwoorden en slogans, dat zijn identiteit samenvat in oranje 
schuimkraag en zelfgenoegzaamheid, en dat vervolgens verbaasd kijkt 
wanneer iemand niet mee wil hossen. Men noemt het liefde voor het 
vaderland, maar het voelt als een verplichte omhelzing door een oom die 
te dicht bij je gezicht komt en naar bier ruikt. Ik heb het geprobeerd, 
werkelijk, maar hoe langer ik bleef, hoe sterker het gevoel werd dat ik 
woonde op een industriële vuilstort die zichzelf voorhoudt dat het een 
tuin is omdat er hier en daar een tulp in een plastic bak staat.

Nationalisme, Nederlands of anderszins, is voor mij altijd een vorm van 
collectieve zelfhypnose geweest. Men vertelt elkaar dat dit land 
bijzonder is, nuchter, tolerant, vooruitstrevend, terwijl de snelwegen 
zich als littekens door het landschap trekken en de horizon wordt 
afgekapt door distributiecentra ter grootte van kleine staten. Alles is 
efficiënt, alles is functioneel, alles is tijdelijk, behalve het 
zelfbeeld, dat is van beton. De lucht ruikt naar mest, diesel en morele 
superioriteit. Wie daar vragen bij stelt, krijgt te horen dat hij moet 
ophoepelen als het hem niet bevalt, wat men dan weer tolerant noemt.

Ik voel me vervreemd van de mensen, niet omdat ze individueel 
onuitstaanbaar zijn – individuen zijn overal soms best te verdragen – 
maar omdat ze samen een koor vormen dat altijd hetzelfde refrein zingt. 
Men praat luid, men weet alles, men relativeert met een schouderophalen 
dat elke gedachte smoort nog voor hij volwassen kan worden. Ironie wordt 
ingezet als schild tegen nadenken, sarcasme als vervanging van inzicht. 
Alles moet gezellig blijven, want gezelligheid is hier de hoogste morele 
categorie. Wie de sfeer bederft door iets ernstigs te zeggen, wordt 
aangekeken alsof hij op een kinderfeestje over de dood begint.

De media doen hun uiterste best om dit alles te bevestigen. Ze spiegelen 
het land dagelijks voor als een redelijk middelpunt van de wereld, een 
gidsland zelfs, terwijl ze elke afwijkende stem reduceren tot een 
karikatuur. Er is altijd een panel, altijd een tafel, altijd iemand die 
“de gewone Nederlander” mag spelen, alsof dat een eenduidig, 
vleesgeworden concept is. De complexiteit verdwijnt onder laagjes 
duiding en duiding van de duiding, tot er niets overblijft dan een warm 
bad van herkenning waarin men tevreden kan dobberen. Kritiek wordt 
verpakt als entertainment, zodat niemand zich hoeft te bezeren aan een 
scherpe rand.

En dan is er dat hardnekkige idee dat dit alles historisch noodzakelijk 
en moreel verheven is. Men schermt met grote namen uit het verleden 
alsof ze mascottes zijn, conveniently ontdaan van hun tegendraadsheid. 
Dat Erasmus het hier ook benauwd kreeg en zijn heil elders zocht, wordt 
erbij verteld als aardige anekdote, niet als symptoom. Alsof zelfs toen 
al de luidruchtige medemens, overtuigd van zijn gelijk en zijn 
gelijkgestemden, de lucht uit de kamer zoog. Ik stel me voor dat hij 
vandaag de trein naar de grens zou nemen, hoofdschuddend bij het zien 
van de spoorzones, de geluidswallen, de eindeloze rijen identieke huizen 
waarin iedereen zichzelf uniek waant.

Mijn afkeer is geen pose, geen modieuze misantropie. Het is 
vermoeidheid. Vermoeidheid van een land dat voortdurend roept hoe 
normaal het is, en daarmee elke afwijking verdacht maakt. Vermoeidheid 
van vlaggen die plots massaal verschijnen wanneer er gescoord wordt, om 
daarna weer in de schuur te verdwijnen. Vermoeidheid van een 
debatcultuur waarin men liever wint dan begrijpt, en liever begrijpt dan 
voelt. Alles wordt dichtgetimmerd met regels, protocollen en meningen, 
tot er geen ruimte meer is voor stilte, laat staan voor twijfel.

Men zegt dan: maar je profiteert toch ook van dit land? Natuurlijk, ik 
adem de lucht in, ik rijd over de wegen, ik betaal mijn belastingen als 
ieder ander. Dat is geen liefde, dat is een transactie. Liefde vraagt om 
wederkerigheid, om erkenning van frictie, om de mogelijkheid om te 
zeggen: hier klopt iets niet. In plaats daarvan krijg ik 
vaderlandsliefde als morele plicht, als een soort verlengde verzekering 
die je automatisch afneemt bij geboorte. Wie weigert te tekenen, wordt 
scheef aangekeken.

Misschien ligt het aan mij. Misschien ben ik te gevoelig voor lawaai, te 
allergisch voor groepsgevoelens, te weinig ontvankelijk voor de charme 
van collectieve zelfverheerlijking. Maar ik kan niet doen alsof ik me 
thuis voel op een plek waar elke vierkante meter is uitgerekend, waar 
zelfs verzet wordt gecommodificeerd, en waar vervreemding alleen wordt 
toegestaan als het verkoopbaar is. Ik kijk om me heen en zie een land 
dat zichzelf voortdurend feliciteert met zijn openheid, terwijl het 
steeds nauwer om zich heen slaat.

Dus nee, ik koester geen vaderlandsliefde. Ik koester hooguit een 
melancholische verbondenheid met wat had kunnen zijn: een plek waar 
stilte niet verdacht is, waar denken niet onmiddellijk wordt weggewuifd, 
waar men niet zo bang is om zijn zekerheden te verliezen dat men ze 
voortdurend moet uitschreeuwen. Tot die tijd blijf ik hier staan, half 
binnen, half buiten, met een bitter glimlachje en de troostende gedachte 
dat zelfs de grootste geesten het soms nodig vonden om te vertrekken om 
adem te halen.


More information about the D66 mailing list