[D66] Tussen Positivo en Negativo: De Morele Herindeling van de Politiek (2)
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Sat Feb 28 13:54:14 CET 2026
Tussen Positivo en Negativo: De Morele Herindeling van de Politiek (2)
Op Congres 123 van Democraten 66 sprak Rob Jetten de woorden uit dat
onze steden en dorpen behoren tot de positieve krachten van Nederland en
niet tot de negatieve. Het klonk opgewekt, mobiliserend, bijna pastoraal
in zijn geruststellende eenvoud. Maar juist in die eenvoud schuilt de
problematiek. Want wie de formulering ontleedt, stuit niet op een
inhoudelijke analyse van maatschappelijke tegenstellingen, maar op een
kunstmatige tweedeling die eerder moreel dan politiek van aard is. Een
tweedeling die mensen niet beschrijft, maar rangschikt. Niet analyseert,
maar etiketteert.
De eerste opvallende reductie zit al in het geografische kader. Steden
en dorpen worden gepresenteerd als de dragende gemeenschappen van het
land. Maar wat is er gebeurd met het landelijk gebied, met het
buitengebied, met de dunbevolkte regio’s waar de restanten van natuur
zich bevinden en waar mensen wonen die zich niet herkennen in het
stedelijke vooruitgangsnarratief? Door stad en dorp samen te nemen als
positieve krachten ontstaat een retorisch blok dat ogenschijnlijk
inclusief is, maar in werkelijkheid selectief. Het suggereert dat wie
binnen deze categorieën valt, deel uitmaakt van een optimistisch
collectief project. Maar het benoemt niet wat buiten het frame valt. De
boer die klem zit tussen regelgeving en marktwerking, de bewoner van een
krimpregio waar voorzieningen verdwijnen, de burger die zich niet
herkent in het tempo van modernisering – zij worden niet expliciet
negatief genoemd, maar verdwijnen uit beeld. En wie niet in beeld is,
telt niet mee.
De tweede, fundamentelere reductie zit in de morele lading van de
woorden “positieve” en “negatieve” krachten. Dit is geen neutrale
beschrijving van verschillende perspectieven op beleid. Dit is een
morele taxonomie. Positief betekent constructief, toekomstgericht,
rationeel, optimistisch. Negatief betekent remmend, somber,
behoudzuchtig, misschien zelfs rancuneus. Het is een subtiele maar
krachtige manier om politieke tegenstellingen te moraliseren. Niet
langer gaat het om verschillende visies op woningbouw, energietransitie
of ruimtelijke ordening. Het gaat om karaktereigenschappen. Om
geesteshoudingen. Om de juiste mentaliteit.
Dat is retorisch effectief. Slogans als “het kan wél” werken
mobiliserend omdat ze een belofte impliceren. Ze ontkennen stagnatie, ze
verwerpen twijfel, ze presenteren ambitie als deugd. In een tijd waarin
crises zich opstapelen – klimaat, woningmarkt, energie-infrastructuur –
biedt zo’n slogan een uitweg uit verlamming. Wie kan er tegen zijn dat
iets wél kan? Wie wil zich scharen onder de banier van het niet-kunnen?
Maar precies daar schuilt het gevaar. Want wanneer “het kan wél” het
leidende mantra wordt, verandert twijfel in obstructie en kritiek in
negativisme. De burger die wijst op netcongestie, op het feit dat in
bepaalde regio’s nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet simpelweg
niet mogelijk zijn, wordt al snel gezien als iemand die het enthousiasme
tempert. De bewoner die vraagtekens zet bij haastige woningbouwprojecten
– kiloknallerarchitectuur die vooral aantallen produceert – wordt
neergezet als iemand die vooruitgang tegenhoudt. Het onderscheid tussen
inhoudelijke kritiek en destructieve tegenwerking vervaagt. Alles wat
het tempo remt, wordt moreel verdacht.
Dit is de kern van de kunstmatige tweedeling: zij creëert een kamp van
de positivo’s dat zich schaart achter de belofte van maakbaarheid, en
een kamp van de negativo’s dat wordt geassocieerd met twijfel, scepsis
of behoudzucht. Maar in een gezonde democratie is scepsis geen ondeugd.
Het is een noodzakelijke correctie op overmoed. Kritiek is geen teken
van negativiteit, maar van betrokkenheid. Door criticasters impliciet te
positioneren als negatieve krachten, wordt de ruimte voor dissensus
smaller. Niet formeel – niemand wordt het zwijgen opgelegd – maar
moreel. Men wil immers niet tot de negatieven behoren.
De slogan heeft bovendien een opvallende verschuiving in perspectief.
Waar klassieke mobiliserende leuzen vaak een expliciet “wij” bevatten,
ontbreekt dat hier. “Het kan wél” klinkt als een constatering, geen
uitnodiging. Het suggereert dat de mogelijkheid al vaststaat, dat de
richting bepaald is. De impliciete boodschap is: het kan, mits u zich
schaart achter het juiste kamp. Het “wij” is voorondersteld, niet
uitgesproken. Daarmee wordt inclusiviteit ingeruild voor normativiteit.
Het collectief is geen open gemeenschap waarin men discussieert over wat
mogelijk is; het is een moreel gefilterde groep die al weet dat het kan.
Daarachter ligt een dieper liggend fenomeen: het vooruitgangsgeloof als
quasi-religieus axioma. Het idee dat geschiedenis lineair is, dat
technologische innovatie en economische expansie vanzelf leiden tot
verbetering, dat elke beperking uiteindelijk overwonnen kan worden door
voldoende wilskracht en investeringskapitaal. Dit vooruitgangsgeloof is
hardnekkig. Het voedt de overtuiging dat problemen vooral logistieke
obstakels zijn: netverzwaring? Dan investeren we meer. Woningtekort? Dan
bouwen we sneller en hoger. Klimaatcrisis? Dan versnellen we de
energietransitie. De onderliggende veronderstelling is dat er geen
fundamentele grenzen zijn, slechts tijdelijke vertragingen.
Maar wat als sommige grenzen reëel zijn? Wat als fysieke infrastructuur,
ecologische draagkracht en sociale cohesie niet eindeloos oprekbaar
zijn? Wat als versnelling juist nieuwe kwetsbaarheden creëert? Het
vooruitgangsgeloof verdraagt zulke vragen slecht, omdat zij de mythe van
onbeperkte maakbaarheid aantasten. Twijfel wordt dan niet gezien als een
noodzakelijke reflectie, maar als een bedreiging van momentum.
In dit licht krijgt de tweedeling tussen positivo’s en negativo’s een
ideologische lading. De positivo is degene die het vooruitgangsverhaal
omarmt, die gelooft in versnelling, in schaalvergroting, in
technologische oplossingen. De negativo is degene die wijst op verlies
van landschap, op esthetische armoede van massabouw, op sociale
fragmentatie. Maar het is een karikatuur. Want men kan voor innovatie
zijn en tegelijk kritisch op de uitvoering. Men kan woningbouw
ondersteunen en toch bezwaar maken tegen uniforme architectuur. Men kan
de energietransitie noodzakelijk achten en tegelijk wijzen op de grenzen
van het elektriciteitsnet. Door deze nuances te negeren, wordt het debat
verengd tot een morele keuze: ben je vóór of tegen?
Het mobiliserende karakter van de slogan is niet los te zien van
electorale logica. Politiek vraagt om energie, om een gevoel van
richting. Twijfel verkoopt slecht. Complexiteit is moeilijk te
communiceren. Een boodschap die zegt: “het is ingewikkeld, er zijn
grenzen, we moeten zorgvuldig afwegen,” mist de glans van een
strijdkreet. “Het kan wél” daarentegen straalt daadkracht uit. Het
appelleert aan het verlangen naar controle in een tijd van onzekerheid.
Het biedt een verhaal waarin Nederland niet wordt meegesleept door
crises, maar ze overwint.
Toch is er een prijs. Want wanneer mobilisatie belangrijker wordt dan
waarheidsliefde, ontstaat de neiging om frictie te minimaliseren. Wie
wijst op structurele beperkingen – bijvoorbeeld dat netverzwaring jaren
kost, dat procedures niet willekeurig kunnen worden versneld, dat ruimte
in een dichtbevolkt land schaars is – wordt ervaren als iemand die het
moreel ondermijnt. Zo sluipt er een subtiele vorm van diskwalificatie in
het debat. Niet via expliciete beschuldigingen, maar via framing. De
criticus is niet langer een mede-burger met een andere visie, maar een
remmer van positieve energie.
Dat is problematisch voor een partij die zich traditioneel profileert
als rationeel en deliberatief. Want rationaliteit vereist het serieus
nemen van tegenargumenten. Een deliberatieve cultuur vraagt om erkenning
van minderheidsposities. Wanneer optimisme tot norm wordt verheven,
verschuift de focus van argument naar houding. Niet wat u zegt is
doorslaggevend, maar hoe u klinkt. Bent u constructief? Straalt u
vertrouwen uit? Of zaait u twijfel?
Het ironische is dat juist in tijden van grote transities –
energietransitie, woningmarkttransformatie, digitalisering –
behoedzaamheid geen luxe is, maar noodzaak. De geschiedenis van
moderniseringsprojecten laat zien dat overhaaste implementatie vaak
leidt tot latere correcties. Vinex-wijken die achteraf sociaal eenzijdig
blijken, infrastructuurprojecten die duurder uitvallen dan gepland,
technologische systemen die kwetsbaar blijken. Het idee dat versnelling
per definitie vooruitgang betekent, is zelf een vorm van simplificatie.
Daarmee komen we bij het waanidee van het vooruitgangsgeloof. Waanidee
niet in de klinische zin, maar als collectieve illusie. De overtuiging
dat elke volgende stap per definitie beter is dan de vorige, dat
kwantitatieve groei gelijkstaat aan kwalitatieve verbetering. Dat meer
woningen automatisch betere leefbaarheid betekent. Dat meer
stroomcapaciteit automatisch duurzame welvaart garandeert. Deze
gedachtegang negeert de mogelijkheid dat sommige problemen niet
opgelost, maar slechts verplaatst worden. Dat groei nieuwe schaarstes
creëert. Dat snelheid complexiteit vergroot.
Wanneer politiek zich te sterk identificeert met dit vooruitgangsgeloof,
verliest zij het vermogen tot tragische wijsheid – het besef dat elke
keuze offers vraagt, dat niet alles tegelijk kan, dat sommige verlangens
onverenigbaar zijn. Dan wordt “het kan wél” een mantra dat de realiteit
moet bezweren. Maar realiteit laat zich niet bezweren door slogans. Zij
laat zich slechts tijdelijk negeren.
De kunstmatige tweedeling tussen positivo’s en negativo’s is daarom niet
onschuldig. Zij verandert het politieke speelveld van een arena van
argumenten in een strijd tussen mentaliteiten. Zij maakt van politiek
een psychologische categorie. En zij reduceert pluraliteit tot een
morele hiërarchie. Dat is misschien effectief op een congres, waar
enthousiasme gewenst is. Maar in de samenleving werkt het vervreemdend.
Want burgers herkennen zichzelf niet in zulke simplificaties. Zij zijn
tegelijk hoopvol en bezorgd, ambitieus en voorzichtig. Zij willen
vooruit, maar niet blind.
Een volwassen politiek zou deze ambiguïteit omarmen in plaats van haar
weg te framen. Zij zou erkennen dat vooruitgang geen lineair proces is,
maar een spanningsveld tussen innovatie en behoud, tussen versnelling en
begrenzing. Zij zou ruimte laten voor criticasters en outsiders, niet
als hinderlijke figuren aan de zijlijn, maar als noodzakelijke stemmen
die wijzen op blinde vlekken.
Wie werkelijk gelooft in democratische vitaliteit, heeft geen behoefte
aan een morele indeling van burgers in positieve en negatieve krachten.
Hij vertrouwt erop dat botsende perspectieven samen een rijker beeld
opleveren. Hij begrijpt dat twijfel geen vijand is van hoop, maar haar
correctie. En hij weet dat een slogan, hoe mobiliserend ook, nooit de
plaats mag innemen van een open debat over wat mogelijk is, wat
wenselijk is en wat misschien eenvoudigweg niet kan.
Misschien is dat de diepste kritiek op het vooruitgangsmantra: niet dat
het optimistisch is, maar dat het optimisme tot norm verheft. Dat het de
ruimte voor tragiek, beperking en eindigheid verkleint. Dat het
suggereert dat wie wijst op grenzen, tegen de gemeenschap is. Terwijl
juist het erkennen van grenzen een teken kan zijn van zorg voor die
gemeenschap.
De vraag is dus niet of het kan. De vraag is voor wie, tegen welke prijs
en binnen welke grenzen. Zolang die vragen worden ondergeschikt gemaakt
aan een mobiliserende tweedeling tussen positivo’s en negativo’s, blijft
het politieke debat gevangen in zijn eigen retoriek. En dan dreigt de
slogan niet een uitdrukking van kracht te worden, maar een symptoom van
ontkenning.
More information about the D66
mailing list