[D66] Non-interventie vergeten: psychiatrie en de grenzen van vrijheid
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Fri Feb 27 16:54:04 CET 2026
Non-interventie vergeten: psychiatrie en de grenzen van vrijheid
De manier waarop psychiatrische patiënten in onze samenleving worden
behandeld, vormt een van de meest schrijnende blinde vlekken van een
cultuur die zichzelf graag beschouwt als humaan, rationeel en verlicht.
Waar wij luidkeels de autonomie van het individu bezingen, waar wij
vrijheid verheffen tot hoogste goed en diversiteit omarmen als morele
plicht, daar blijkt plotseling een andere logica te gelden zodra iemand
het stempel “verward”, “psychotisch” of “gestoord” krijgt opgeplakt. Op
dat moment verschuift het perspectief: de burger wordt patiënt, de stem
wordt symptoom, het protest wordt pathologie en de persoon wordt
dossier. Wat resteert is een systeem dat, onder het mom van zorg,
structureel de vrijheid van de meest kwetsbaren beknot.
Onze maatschappij kan tot op zekere hoogte openbare dronkenschap
tolereren. De zwalkende student na een avond stappen wordt meewarig
aangekeken, soms beboet, maar zelden als existentieel gevaar voor
zichzelf of de orde beschouwd. Drugsgebruik – hoewel juridisch vaak
problematisch – wordt in de praktijk eveneens met een zekere ambiguïteit
benaderd. Er is ruimte voor experiment, voor “eigen
verantwoordelijkheid”, voor het idee dat iemand zijn grenzen mag
opzoeken. Maar zodra iemand op straat onsamenhangend spreekt, vreemde
kleding draagt, intens verdriet toont of wantrouwig is tegenover
autoriteiten, verandert de toon. Dan treedt het psychiatrisch jargon in
werking. Wat eerst excentriek was, wordt nu symptomatisch. Wat eerst een
levensfase was, wordt nu een stoornis. En wat eerst een burger was,
wordt nu een geval.
Het stoornisetiket is geen neutrale beschrijving van feiten; het is een
machtig instrument dat realiteiten creëert. Wie het etiket krijgt,
verliest onmiddellijk geloofwaardigheid. Zijn of haar woorden worden
gefilterd door een medisch kader. Als iemand zegt dat hij wordt
achtervolgd, is dat geen aanklacht meer maar een paranoïde waan. Als
iemand zegt dat zij zich opgesloten voelt in een verstikkende
samenleving, is dat geen politieke of existentiële kritiek maar een
depressieve cognitie. De mogelijkheid dat iemand in crisis ook een kern
van waarheid spreekt, wordt systematisch gemarginaliseerd. Het label
fungeert als epistemische uitsluiting: de patiënt weet niet meer wat hij
weet, want zijn weten is bij voorbaat verdacht.
De paradox is dat deze uitsluiting wordt gelegitimeerd als bescherming.
Men spreekt over veiligheid, over preventie, over het vermijden van
escalatie. Maar wie definieert wat gevaar is? Wie bepaalt wanneer
verwardheid een risico wordt? De criteria zijn zelden scherp omlijnd en
vaak doordrenkt van culturele normen. Afwijkend gedrag in de publieke
ruimte – luid praten, vreemde gebaren, ongebruikelijke overtuigingen –
wordt sneller als bedreigend ervaren dan stille zelfdestructie achter
gesloten deuren. Het is de zichtbaarheid van de afwijking die ingrijpen
triggert, niet noodzakelijk de ernst van het lijden.
Hier raakt het debat aan een fundamentele liberale gedachte, verwoord
door John Stuart Mill in zijn beroemde schadebeginsel. Volgens Mill mag
de samenleving de vrijheid van een individu slechts beperken om schade
aan anderen te voorkomen, niet om het individu tegen zichzelf te
beschermen. Deze notie van non-interventie is radicaal in haar
consequenties: zij erkent dat mensen fouten mogen maken, zichzelf mogen
schaden, zelfs irrationeel mogen handelen, zolang zij anderen geen
directe schade berokkenen. De kern van menselijke waardigheid ligt juist
in die vrijheid om te dwalen.
De psychiatrische praktijk lijkt dit beginsel op cruciale momenten te
ondermijnen. Gedwongen opname wordt vaak gerechtvaardigd met een
verwijzing naar “gevaar voor zichzelf of anderen”. Maar de interpretatie
van dat gevaar is breed en rekbaar. Iemand die zegt geen reden meer te
zien om te leven, kan worden opgenomen nog voordat hij een concrete
poging heeft ondernomen. Iemand die stemmen hoort maar niemand bedreigt,
kan toch als potentieel gevaarlijk worden bestempeld. Het criterium
verschuift van feitelijke schade naar mogelijke, veronderstelde of
statistisch ingeschatte schade. Daarmee wordt de grens van
non-interventie opgerekt tot een punt waarop bijna elke afwijking als
risicofactor kan worden gezien.
Men zal tegenwerpen dat psychische crises de autonomie ondermijnen. Dat
iemand in een psychose niet wilsbekwaam is, dat een zwaar depressieve
persoon niet vrij kiest. Dat kan in specifieke gevallen waar zijn. Maar
de manier waarop dit argument wordt toegepast, is vaak grofmazig.
Wilsbekwaamheid wordt niet zelden inferentieel afgeleid uit de diagnose
zelf: wie psychotisch is, kan niet oordelen; wie suïcidaal is, kan niet
beslissen. Zo ontstaat een cirkelredenering waarin de diagnose de
rechtvaardiging voor interventie wordt, en interventie het bewijs van de
ernst van de diagnose.
Daarbij komt dat psychiatrisch jargon een aura van objectiviteit
uitstraalt. Termen als “schizofreniespectrumstoornis”, “bipolaire
ontregeling” of “borderline persoonlijkheidsstoornis” klinken technisch
en precies, maar verhullen vaak een complex samenspel van gedragingen,
interpretaties en culturele verwachtingen. Het classificatiesysteem
suggereert een natuurwetenschappelijke helderheid die in de praktijk
zelden wordt waargemaakt. Toch hebben deze labels juridische
consequenties: zij kunnen de deur openen naar dwangmedicatie, isolatie,
separatie en langdurige opname.
Isolatiekamers – eufemistisch “prikkelarme ruimtes” genoemd – vormen
wellicht het meest pregnante symbool van deze paradox. Iemand die in
verwarring verkeert, wordt opgesloten in een kale ruimte om tot rust te
komen. De vraag of opsluiting zelf traumatiserend werkt, wordt
ondergeschikt gemaakt aan de noodzaak tot beheersing. De logica is die
van ordehandhaving: eerst stabiliseren, dan praten. Maar stabiliseren
betekent hier vaak: onderdrukken, dempen, sederen. De mens wordt
gereduceerd tot een lichaam dat moet worden gekalmeerd.
Bovendien is er een opvallende discrepantie tussen hoe wij omgaan met
lichamelijke en psychische risico’s. Een bergbeklimmer die vrijwillig
gevaarlijke expedities onderneemt, wordt bewonderd om zijn moed. Een
ondernemer die al zijn geld investeert in een riskante start-up, wordt
geprezen om zijn lef. Maar iemand die in een existentiële crisis besluit
geen medicatie te willen, wordt al snel gezien als irrationeel en
onverantwoordelijk. Waarom erkennen wij risicobereidheid in economische
en fysieke domeinen, maar niet in het mentale? Waarom wordt psychisch
lijden zo snel geherdefinieerd als een technisch probleem dat moet
worden opgelost, in plaats van een menselijke ervaring die ook ruimte
vraagt?
Het antwoord ligt deels in angst. De verwarde persoon confronteert ons
met de fragiliteit van onze eigen rationaliteit. Hij belichaamt de
mogelijkheid dat de grens tussen orde en chaos dun is. Door hem te
medicaliseren en op te sluiten, bevestigen wij impliciet dat wijzelf aan
de juiste kant van die grens staan. De psychiatrische interventie
functioneert zo niet alleen als zorg, maar ook als ritueel van sociale
zuivering: afwijking wordt verwijderd uit het zicht, ingekapseld in
instellingen aan de rand van de stad.
Dit betekent niet dat alle psychiatrische zorg per definitie
onderdrukkend is. Velen ervaren oprechte steun, verlichting van
symptomen, hernieuwde stabiliteit. Medicatie kan levens redden; therapie
kan perspectief bieden. Maar de mogelijkheid van hulp ontslaat ons niet
van de plicht om de machtsstructuren kritisch te onderzoeken. Juist
omdat psychiatrie opereert op het snijvlak van zorg en dwang, vereist
zij een uitzonderlijk niveau van transparantie en terughoudendheid.
Een werkelijk humane benadering zou beginnen bij radicale erkenning van
subjectiviteit. Dat betekent dat de ervaring van de patiënt niet a
priori wordt gereduceerd tot symptoom, maar serieus wordt genomen als
betekenisvolle uitdrukking van een levensverhaal. Het betekent ook dat
non-interventie een reële optie moet zijn, niet slechts een theoretisch
beginsel. In plaats van onmiddellijke opname zou men kunnen investeren
in laagdrempelige, vrijwillige opvang, in peer-support, in crisiskaarten
waarin mensen vooraf aangeven wat zij wel en niet wensen in tijden van
ontregeling.
Daarnaast moeten wij ons afvragen waarom sociale oorzaken van psychisch
lijden zo vaak worden geïndividualiseerd. Armoede, eenzaamheid,
discriminatie, prestatiedruk – zij dragen aantoonbaar bij aan psychische
crises. Toch wordt de oplossing doorgaans gezocht in het individu:
pillen, therapie, opname. Daarmee verschuift de aandacht van structurele
problemen naar persoonlijke tekortkomingen. Het stoornisetiket fungeert
als bliksemafleider: het neutraliseert maatschappelijke kritiek door
haar te herformuleren als ziekte.
De willekeur van het label blijkt ook uit historische verschuivingen.
Wat vandaag als stoornis geldt, was gisteren nog een karaktertrek of
morele afwijking. Diagnoses verschijnen en verdwijnen met de tijdgeest.
Dat zou ons bescheiden moeten maken in het toepassen van dwang op basis
van categorieën die niet absoluut zijn, maar contingent. Wanneer
vrijheid wordt ontnomen op grond van veranderlijke definities, is
waakzaamheid geboden.
De kern van de kwestie is uiteindelijk politiek en ethisch. Hoeveel
afwijking kan een samenleving verdragen? Zijn wij bereid om werkelijk
pluralistisch te zijn, ook wanneer pluraliteit zich uit in verwarring,
intensiteit of onbegrijpelijkheid? Of hanteren wij tolerantie slechts
zolang gedrag binnen herkenbare marges blijft? De behandeling van
psychiatrische patiënten fungeert als lakmoesproef voor onze liberale
overtuigingen. Als wij vrijheid alleen verdedigen voor de redelijke,
coherente burger, dan is zij fragiel en voorwaardelijk.
Een vernietigende conclusie dringt zich op: onder het mom van
bescherming hebben wij een systeem gecreëerd dat te snel grijpt naar
dwang, te gemakkelijk etiketten plakt en te weinig ruimte laat voor
afwijking. De roep om veiligheid heeft de notie van non-interventie
uitgehold tot een voetnoot. Natuurlijk zijn er situaties waarin
ingrijpen onvermijdelijk is, waarin iemand acuut gevaar loopt of anderen
bedreigt. Maar de huidige praktijk lijkt vaak eerder gebaseerd op
beheersingsdrang dan op uiterste noodzaak.
Wie werkelijk recht wil doen aan menselijke waardigheid, moet de moed
hebben om vrijheid ook daar te respecteren waar zij ongemakkelijk is.
Dat betekent accepteren dat sommige mensen tijdelijk verdwalen, dat zij
dingen zeggen die wij niet begrijpen, dat zij keuzes maken die wij
onverstandig vinden. Het betekent erkennen dat zorg zonder keuze
paternalistisch wordt, en dat paternalistische zorg gemakkelijk ontaardt
in subtiele onderdrukking.
De behandeling van psychiatrische patiënten is daarmee geen randkwestie,
maar een spiegel. Zij toont hoe wij omgaan met kwetsbaarheid, met
anders-zijn, met de grenzen van rationaliteit. Zolang het stoornisetiket
fungeert als toegangsbewijs tot dwang, zolang jargon menselijke verhalen
overschaduwt, en zolang non-interventie slechts wordt aangehaald om haar
vervolgens terzijde te schuiven, blijft die spiegel een ongemakkelijke
waarheid reflecteren. Een samenleving die vrijheid serieus neemt, kan
zich niet permitteren om juist haar meest kwetsbare leden die vrijheid
systematisch te ontzeggen.
More information about the D66
mailing list