[D66] Materiële Condities, Mentale Afbraak

René Oudeweg roudeweg at gmail.com
Mon Feb 16 19:27:38 CET 2026


[Wie wel eens een influencerfilmpje gezien heeft, merkt op dat ze 
allemaal hetzelfde eruit zien en dat geestelijke gesteldheid van de 
influencer erbarmelijk is. Vreselijk. Dit weerspiegelt zich in de 
politiek van de positivo's van D66. Kortom, schaf het internet maar af, 
het is niet alleen stuk, beyond repair, in de woorden van Marleen 
Stikker, het is de oorzaak van een ongekende mentale regressie van de 
laatindustriële mens. Om te beginnen een totaalverbod op social media. 
Geen vrijheid tot digitaal netwerken, zoek de vrijheid maar lokaal in de 
gemeenschap. Drastisch maar noodzakelijk, de SM-kill switch...]


Materiële Condities, Mentale Afbraak

Er was een tijd waarin men nog geloofde dat de geschiedenis een 
verheffende beweging bezat, een moeizaam maar onmiskenbaar stijgende 
lijn van duisternis naar verlichting. De negentiende eeuw, beneveld door 
stoom en utopie, zag in de fabriek niet alleen de geboorte van 
uitbuiting maar ook de belofte van emancipatie. Zelfs de twintigste 
eeuw, getekend door loopgraven en gaskamers, hield hardnekkig vast aan 
het idee dat vooruitgang mogelijk was—zij het via omwegen, revoluties of 
hervormingen. Wat wij thans meemaken, onder het flikkerende licht van 
smartphones en algoritmen, is geen vooruitgang maar regressie: een 
geestelijke verkleining die de materiële condities van het 
laatindustrialisme nauwkeurig weerspiegelt.

Wie de fenomenologie van onze tijd wil begrijpen, kan niet om het 
platform TikTok heen. Het is geen toevallige uitwas van technologische 
innovatie, maar een symptoom van een dieper liggende structuur. Het 
eindeloze scrollen, de korte fragmenten, de hysterische montage van 
beeld en geluid: zij zijn niet slechts esthetische keuzes, maar 
uitdrukkingen van een productiewijze die versnelling, flexibiliteit en 
permanente beschikbaarheid eist. Zoals de lopende band ooit het lichaam 
disciplineerde tot repetitieve handelingen, zo disciplineert het 
algoritme thans de geest tot flitsende aandachtssprongen. De arbeid is 
gefragmenteerd, precair, onthecht van duurzame verbanden; de geest volgt.

Het laatindustrialisme—of men het nu neoliberalisme, platformkapitalisme 
of cognitief kapitalisme noemt—kenmerkt zich door de commodificatie van 
vrijwel alle levenssferen. Wat ooit als privé gold, als innerlijk domein 
van reflectie en contemplatie, wordt nu gemonetariseerd. De aandacht is 
koopwaar geworden; subjectiviteit is een marktplaats. Hierin ligt de 
kern van de regressie. De geest wordt niet langer aangesproken als locus 
van autonomie, maar als reservoir van data. Het individu is geen burger 
meer maar gebruiker; geen denker maar consument van prikkels.

Reeds Karl Marx zag dat de materiële verhoudingen het bewustzijn 
bepalen, althans in laatste instantie. Men heeft deze these vaak 
karikaturaal opgevat, alsof ideeën slechts mechanische afgeleiden van 
economische structuren zouden zijn. Maar de dialectiek is subtieler. De 
infrastructuur van productie en distributie vormt de horizon waarbinnen 
het denken zich beweegt; zij stelt grenzen aan wat voorstelbaar is. In 
een economie die snelheid, innovatie en disruptie tot hoogste waarden 
verheft, wordt traagheid verdacht en continuïteit suspect. Het resultaat 
is een cultuur waarin reflectie wordt verward met inefficiëntie.

De regressie is geen terugkeer naar een archaïsch verleden, maar een 
infantilisering binnen een hypertechnologische context. Men denke aan de 
esthetiek van het korte filmpje: oververzadigd, luidruchtig, 
onmiddellijk. Zij appelleert aan primaire affecten—verontwaardiging, 
jaloezie, lust, angst—en vermijdt systematisch het complexe en ambigue. 
Dit is geen complot maar een economische noodzaak. Complexiteit vergt 
tijd; tijd kost geld; geld eist rendement. Het algoritme beloont datgene 
wat de aandacht maximaliseert en straft datgene wat haar vertraagt. Zo 
wordt het denken zelf onderworpen aan de logica van de markt.

In de schaduw van deze ontwikkeling klinkt de echo van Theodor W. 
Adorno, die samen met Max Horkheimer de cultuurindustrie analyseerde als 
machine van standaardisering en verdoving. Wat zij nog beschreven in 
termen van radio, film en populaire muziek, is in onze tijd tot in het 
extreme doorgevoerd. De cultuurindustrie is niet langer een sector naast 
andere; zij is de matrix waarin alle sectoren opereren. Zelfs politiek 
en wetenschap worden gemedialiseerd, verpakt in hapklare brokken voor 
onmiddellijke consumptie. De universiteit, ooit tempel van traag denken, 
transformeert zich tot contentfabriek, waar onderzoekers hun bevindingen 
reduceren tot “impact” en “zichtbaarheid”.

De geestelijke regressie manifesteert zich ook in de taal. Het 
vocabulaire verschraalt; nuance maakt plaats voor slogans. Sociale media 
stimuleren een retoriek van absolutie en verkettering. De tussenruimte, 
waarin twijfel en zelfkritiek kunnen gedijen, wordt opgeofferd aan de 
binaire logica van likes en dislikes. In deze omgeving verliest ironie 
haar subtiliteit en wordt sarcasme de dominante toon. De publieke sfeer, 
die volgens Jürgen Habermas ooit een ruimte van rationele discussie 
moest zijn, is verworden tot een arena van performatieve verontwaardiging.

Men zou kunnen tegenwerpen dat elke generatie haar eigen morele paniek 
kent, dat ook de roman, de krant en de televisie ooit werden beschuldigd 
van geestelijke verarming. Maar het verschil ligt in de mate van 
integratie tussen economie en cognitie. Waar vroegere media nog een 
zekere afstand lieten tussen productie en consumptie, is de hedendaagse 
gebruiker zelf producent geworden—zij het onder voorwaarden die hij niet 
controleert. Het individu internaliseert de logica van zichtbaarheid en 
optimaliseert zijn gedrag overeenkomstig de eisen van het algoritme. 
Zelfexpressie wordt zelfexploitatie.

Hier raakt de regressie aan de psychische structuur van het subject. Het 
laatindustrialisme vereist flexibiliteit, mobiliteit en permanente 
heruitvinding. Identiteit wordt vloeibaar, maar niet uit vrijheid; zij 
is vloeibaar omdat stabiliteit economisch onwenselijk is. De werknemer 
moet zich voortdurend aanpassen, bijscholen, netwerken. Deze condition 
permanente onzekerheid produceert een hunkering naar onmiddellijke 
bevestiging. Het korte filmpje, de snelle like, de virale trend bieden 
microdoses van erkenning in een verder precair bestaan. De geest zoekt 
compensatie voor materiële instabiliteit in digitale intensiteit.

De regressie is dus geen louter cultureel fenomeen; zij is ingebed in de 
arbeidsverhoudingen. De platformeconomie externaliseert risico’s en 
privatiseert winst. Tegelijkertijd verspreidt zij een ideologie van 
ondernemerschap: ieder is CEO van zijn eigen leven. Deze fictie verhult 
de afhankelijkheid van onzichtbare infrastructuren en kapitaalstromen. 
Het subject, aangespoord om zichzelf als merk te beschouwen, verliest 
het vermogen tot transcendentie. Alles wordt immanent aan het eigen 
profiel, de eigen feed, de eigen statistieken.

In deze context krijgt de notie van waarheid een problematisch karakter. 
Wanneer informatie wordt gefilterd op basis van engagement in plaats van 
verificatie, ontstaat een epistemische crisis. De snelheid van 
verspreiding overtreft de traagheid van verificatie. Wat telt is niet 
wat waar is, maar wat circuleert. Zo ontstaat een cultuur van 
onmiddellijke opinie, waarin oordelen worden geveld voordat feiten zijn 
vastgesteld. De geest verliest haar vermogen tot suspensie—tot het 
opschorten van oordeel—en daarmee haar kritische kracht.

Men kan dit beschouwen als een nieuwe vorm van vervreemding. Niet langer 
is het slechts de arbeider die vervreemd is van het product van zijn 
arbeid; het subject is vervreemd van zijn eigen aandacht. De tijd die 
men besteedt aan scrollen wordt ervaren als zowel verslavend als leeg. 
Men weet dat men wordt geëxploiteerd—dat men data produceert voor 
bedrijven—maar men participeert toch. Deze dubbelheid genereert cynisme: 
men gelooft niet meer in authenticiteit, maar blijft toch spelen volgens 
de regels van het spel.

Het cynisme is wellicht het meest kenmerkende affect van onze tijd. Waar 
vroegere ideologieën nog een beroep deden op idealen van waarheid, 
rechtvaardigheid of vooruitgang, presenteert het hedendaagse kapitalisme 
zich als onvermijdelijk. “Er is geen alternatief” is geen slogan meer 
maar een atmosfeer. In zo’n klimaat wordt kritiek gereduceerd tot 
esthetiek: men kan ironisch afstand nemen, memes maken, satirische 
filmpjes delen, maar de materiële structuren blijven onaangetast. De 
geest amuseert zich met haar eigen machteloosheid.

Toch zou het te eenvoudig zijn om de schuld uitsluitend bij technologie 
of markt te leggen. De regressie is mede mogelijk omdat zij een 
verlangen bevredigt: het verlangen naar eenvoud in een complexe wereld. 
De mondiale productieketens, de abstracte financiële instrumenten, de 
geopolitieke spanningen—zij zijn moeilijk te doorgronden. Het korte 
filmpje biedt een schijn van overzicht: een hapklare uitleg, een 
duidelijke vijand, een onmiddellijk oordeel. Het is een cognitieve 
verlichting die haar prijs eist in intellectuele armoede.

De materiële condities van het laatindustrialisme—automatisering, 
digitalisering, globalisering—produceren een paradox. Enerzijds vereisen 
zij hooggespecialiseerde kennis; anderzijds marginaliseren zij het 
brede, humanistische denken dat deze kennis in context kan plaatsen. De 
ingenieur optimaliseert algoritmen, de marketeer analyseert data, maar 
wie denkt nog na over het geheel? De fragmentatie van arbeid 
weerspiegelt zich in de fragmentatie van bewustzijn. Het 
totaliteitsdenken, ooit het domein van filosofen en sociologen, lijkt 
anachronistisch in een wereld van niches en microdoelgroepen.

Hierin schuilt een tragische ironie. Nooit eerder had de mensheid 
toegang tot zoveel informatie; nooit eerder was zij zo verbonden. En 
toch lijkt het vermogen tot samenhangend denken af te nemen. Informatie 
zonder contemplatie is ruis. Verbinding zonder gemeenschap is netwerk. 
De regressie is geen gebrek aan data, maar een gebrek aan diepte. De 
geest wordt overspoeld maar niet gevoed.

Men zou kunnen hopen op een tegenbeweging, een herwaardering van 
traagheid en concentratie. Er zijn signalen van verzet: mensen die 
digitale detoxes ondernemen, die lange boeken lezen, die zich 
terugtrekken uit de permanente stroom. Maar ook deze praktijken worden 
snel gecommodificeerd. Traagheid wordt lifestyle, contemplatie wordt 
product. Zelfs kritiek wordt marktsegment.

Wat resteert is de vraag naar mogelijkheid. Kan de geest zich 
emanciperen binnen condities die haar systematisch reduceren tot 
aandachtseenheid? Het antwoord kan niet louter individueel zijn. Zolang 
de materiële structuren onveranderd blijven, zal de regressie zich 
reproduceren. Een andere geest vereist andere verhoudingen van productie 
en distributie; een andere tijdsorde; een andere waardering van wat niet 
onmiddellijk rendeert.

Misschien is de eerste stap geen heroïsche revolutie maar een 
herontdekking van negativiteit: het vermogen om nee te zeggen tegen de 
onmiddellijke prikkel, om de stroom te onderbreken, om stilte te 
verdragen. In een wereld die permanent spreekt, kan zwijgen subversief 
zijn. In een economie die snelheid eist, kan traagheid weerstand zijn. 
Dit zijn geen romantische gestes maar noodzakelijke voorwaarden voor 
herstel van diepte.

De geestelijke regressie van onze tijd is geen noodlot maar een 
symptoom. Zij weerspiegelt de materiële condities van het 
laatindustrialisme zoals een spiegel het gezicht weerspiegelt: niet als 
oorzaak, maar als beeld. Wie het beeld wil veranderen, moet het gezicht 
veranderen. Dat vergt meer dan nostalgie naar een vermeend gouden 
verleden; het vergt een kritische analyse van de structuren die ons 
denken vormen. Pas wanneer wij erkennen dat onze aandacht, onze taal en 
onze verlangens economisch bemiddeld zijn, kan er ruimte ontstaan voor 
een andere vorm van subjectiviteit.

Tot die tijd zullen wij blijven scrollen, blijven reageren, blijven 
consumeren—en ons verbazen over de leegte die achterblijft. De regressie 
is niet spectaculair; zij voltrekt zich in microgebaren, in seconden, in 
pixels. Zij is alledaags en daarom moeilijk te bestrijden. Maar juist in 
het alledaagse ligt ook de mogelijkheid van verandering. Want als de 
geest wordt gevormd door materiële condities, dan kan zij ook anders 
worden gevormd. De vraag is slechts of wij de moed hebben om de 
voorwaarden van onze eigen verdoving ter discussie te stellen.




More information about the D66 mailing list