[D66] De Democratie Volgens de Salon
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Thu Feb 12 08:18:54 CET 2026
De Democratie Volgens de Salon
Ilja Leonard Pfeijffer presenteert Absolute democratie als een moreel
kompas in verwarrende tijden, als een “kroniek van een aangekondigde
afrekening” met de krachten die volgens hem de democratische rechtsorde
bedreigen. Maar wie het boek leest, kan zich moeilijk aan de indruk
onttrekken dat hier minder sprake is van een scherpe analyse dan van een
moreel zelfgenoegzame monoloog. Pfeijffer ageert met grote stelligheid
tegen “extreemrechts”, maar blijft opvallend vaag over wat hij daar
precies onder verstaat behalve de connotaie met het fascisme uit zijn
Italië. Het begrip fungeert als een elastisch scheldwoord, een container
waarin alles past wat hem niet bevalt: populisme, nationalisme,
fascisme, euroscepsis, migratiekritiek, culturele onzekerheid. Door die
begripsinflatie verliest zijn betoog aan scherpte. Het is gemakkelijker
om een schrikbeeld te bestrijden dan om concrete maatschappelijke
problemen onder ogen te zien.
Wat vooral stoort, is de morele toon. Pfeijffer positioneert zichzelf
als verdediger van de rechtsstaat, de democratische orde en de Europese
samenwerking, alsof die waarden exclusief eigendom zijn van zijn
ideologische kamp. Hij beroept zich graag op het klassieke Athene, op
het ideaal van burgerlijke participatie en redelijkheid, maar vergeet
dat ook daar democratie worstelde met uitsluiting, machtsstrijd en
demagogie. De verwijzing naar Athene blijft bij hem een retorisch
ornament, geen werkelijk historisch besef van de spanningen die een
democratie kenmerken. Het klinkt verheven, maar het blijft oppervlakkig.
Zijn voortdurende verzet tegen “extreemrechts” krijgt iets mechanisch.
In vrijwel elk opstel duikt het weer op als de primaire dreiging, als de
bron van polarisatie en verval. Maar waar is de analyse van de
voedingsbodem? Waar is de poging om te begrijpen waarom miljoenen
Europeanen zich niet langer vertegenwoordigd voelen door de gevestigde
partijen? Pfeijffer lijkt vooral verontwaardigd over hun keuze, niet
nieuwsgierig naar hun motieven. Hij beschrijft de angst voor migratie,
de zorgen over culturele verandering of economische onzekerheid vooral
als irrationele reflexen, niet als ervaringen die, terecht of onterecht,
politiek betekenis hebben gekregen. Daarmee reduceert hij zijn
tegenstanders tot karikaturen en ontneemt hij zichzelf de mogelijkheid
tot een werkelijk overtuigend weerwoord.
Een ander punt van irritatie is zijn vrijblijvende omgang met
economische kwesties. Af en toe laat hij vallen dat het kapitalisme “het
probleem” is. Maar wat betekent dat? Gaat het hem om neoliberale
deregulering, om globalisering, om financiële speculatie, om
ongelijkheid? Hij blijft steken in algemeenheden. En wanneer hij een
concreet voorstel doet, is het basisinkomen zijn favoriete deus ex
machina. Alsof een universele uitkering op magische wijze de spanningen
in de samenleving zou oplossen. Er is nauwelijks aandacht voor de
praktische, economische en politieke complicaties van zo’n maatregel.
Hoe wordt het gefinancierd? Wat doet het met arbeidsparticipatie, met
solidariteit, met de verhouding tussen staat en burger? Het basisinkomen
verschijnt als een moreel gebaar, niet als een doordacht
beleidsvoorstel. Het voelt gemakzuchtig: een sympathiek idee dat de
harde vragen ontwijkt.
Nog pregnanter is zijn houding ten opzichte van migratie en
multiculturaliteit. Pfeijffer ontkent niet dat er spanningen zijn, maar
hij lijkt ze systematisch te minimaliseren of te herinterpreteren als
producten van angst en onwetendheid. De structurele problemen rond
integratie, segregatie, onderwijsachterstanden, religieus extremisme of
botsende normen en waarden krijgen weinig ruimte. Wie deze kwesties aan
de orde stelt, loopt in zijn betoog al snel het risico in de hoek van
“extreemrechts” te worden geplaatst. Daarmee wordt het debat niet
verdiept, maar gesmoord. Het is een merkwaardige paradox: een auteur die
de democratische discussie zegt te verdedigen, maar tegelijk bepaalde
thema’s moreel diskwalificeert.
Zijn pleidooi om vluchtelingen ruimhartig toe te laten en hen vervolgens
“aan het werk te zetten” verraadt bovendien een ongemakkelijke spanning.
Enerzijds presenteert hij zich als criticus van het kapitalisme;
anderzijds klinkt hij als een pragmaticus die nieuwkomers vooral ziet
als arbeidskrachten die economisch nuttig moeten worden ingezet. Dat is
geen radicaal alternatief voor het systeem, maar een variant ervan. De
morele superioriteit waarmee hij migratie verdedigt, contrasteert met de
instrumentele manier waarop hij de oplossing formuleert. Het lijkt
minder ingegeven door een doordachte visie op sociale cohesie dan door
een afkeer van de retoriek van zijn opponenten.
Pfeijffers huiver voor de machtspolitiek van uiterst rechtse figuren
komt oprecht over, maar ook wat naïef. Hij beschrijft hen als cynische
manipulatoren die inspelen op ressentiment en angst, maar lijkt soms te
vergeten dat politiek altijd een strijd om macht is, ook aan zijn kant
van het spectrum. Zijn eigen positie, geworteld in een kosmopolitische,
hoogopgeleide stedelijke cultuur, is eveneens een machtspositie. Dat hij
zich beroept op solidariteit en inclusie, betekent niet dat hij buiten
de politieke arena staat. Door zichzelf vooral als morele commentator te
presenteren, ontwijkt hij de vraag hoe zijn idealen zich verhouden tot
concrete belangen en machtsverhoudingen.
Daarbij komt dat hij niet altijd helder maakt wie hij precies
aanspreekt. Is zijn boek bedoeld voor twijfelende kiezers die dreigen af
te glijden naar radicaal rechts? Voor medestanders die bevestiging
zoeken? Voor politici die hij wil waarschuwen? De toon suggereert vaak
dat hij zijn eigen kamp toespreekt, hen bemoedigend in hun gelijk. Dat
geeft het boek iets prekerigs. Wie al overtuigd is van het belang van de
rechtsstaat en Europese samenwerking, zal zich gesterkt voelen. Wie
kritisch staat tegenover de EU of het migratiebeleid, zal zich
waarschijnlijk niet serieus genomen voelen.
De subtitel “kroniek van een aangekondigde afrekening” wekt de
verwachting van urgentie en diepgang, van een scherpe diagnose van een
naderende crisis. Maar de afrekening blijft vaag. Met wie wordt er
afgerekend? Met ideeën, met partijen, met maatschappelijke trends? De
essays missen soms de analytische diepte om werkelijk te overtuigen. Ze
zijn eloquent geschreven, retorisch vaardig, maar blijven aan de
oppervlakte van de fenomenen die ze beschrijven. Europa wordt verdedigd
als beschavingsproject, Oekraïne als symbool van democratische
weerbaarheid, Rusland als autoritaire tegenpool. Die posities zijn
legitiem, maar ze worden zelden problematiseerd of historisch verdiept.
Het resultaat is een voorspelbaar moreel kader waarin de wereld
overzichtelijk wordt ingedeeld in goed en fout.
Dat pro-Europese elan klinkt inmiddels bijna obligaat. Pfeijffer bezingt
de Europese Unie als bastion van vrede en rechtsstatelijkheid, maar gaat
licht voorbij aan de democratische tekorten, de bureaucratische
vervreemding en de uiteenlopende belangen tussen lidstaten. Wie kritiek
heeft op de EU wordt in zijn betoog al snel verdacht. Daarmee sluit hij
zich af voor een gesprek over hervorming en legitimiteit. Europa wordt
een moreel symbool in plaats van een politiek project dat voortdurend
herzien en bijgestuurd moet worden.
Ook zijn uitgesproken pro-Oekraïense en anti-Russische houding, hoe
begrijpelijk in het licht van de oorlog, blijft enigszins
eendimensionaal. Er is weinig aandacht voor de complexe geopolitieke
geschiedenis, voor de fouten en misrekeningen aan westerse zijde, voor
de dilemma’s rond escalatie en diplomatie. Dat betekent niet dat zijn
positie onjuist is, maar wel dat ze weinig ruimte laat voor nuance. In
een boek dat pretendeert de democratische orde te verdedigen, zou men
juist een grotere bereidheid tot meervoudig perspectief verwachten.
Het meest problematische aan Absolute democratie is misschien wel de
impliciete veronderstelling dat morele helderheid voldoende is.
Pfeijffer lijkt te geloven dat het benoemen van waarden – rechtsstaat,
inclusie, solidariteit, Europa – op zichzelf al een daad van verzet is
tegen de erosie van de democratie. Maar waarden worden pas krachtig
wanneer ze worden ingebed in geloofwaardige instituties,
sociaal-economische rechtvaardigheid en een politiek die mensen het
gevoel geeft gehoord te worden. Door zijn tegenstanders vooral te
typeren als bedreiging, zonder hun achterban serieus te nemen, draagt
hij onbedoeld bij aan de kloof die hij zegt te willen dichten.
Dat maakt het boek frustrerend. Pfeijffer is een begaafd schrijver,
stilistisch scherp, retorisch begaafd. Juist daarom is het
teleurstellend dat hij zo vaak kiest voor de veilige positie van morele
verontwaardiging in plaats van voor het riskantere pad van zelfkritiek
en complexiteit. Een werkelijk radicale verdediging van de democratie
zou ook de zwaktes van het eigen kamp onder ogen zien: de
technocratische neiging, de culturele afstand tot grote delen van de
bevolking, de onderschatting van identiteitsvraagstukken. Die reflectie
blijft grotendeels uit.
Uiteindelijk laat Absolute democratie de lezer achter met het gevoel dat
de auteur vooral een vijand nodig heeft om zijn eigen positie te
definiëren. “Extreemrechts” fungeert als noodzakelijk contrapunt, als
spiegelbeeld waarin hij zijn eigen deugden kan etaleren. Maar een
democratie die uitsluitend wordt gedacht als strijd tegen een demonische
ander, verliest iets van haar open karakter. Ze wordt defensief,
moralistisch en voorspelbaar.
Een polemiek tegen autoritaire tendensen is op zichzelf legitiem en
zelfs noodzakelijk. Maar wanneer die polemiek geen ruimte laat voor de
complexiteit van maatschappelijke spanningen, voor de ambiguïteit van
politieke keuzes en voor de mogelijkheid dat ook het eigen kamp blinde
vlekken heeft, verliest ze overtuigingskracht. Absolute democratie had
een uitdagende, ontregelende reflectie kunnen zijn op de staat van onze
democratie. In plaats daarvan is het vooral een bevestiging van wat de
auteur en zijn vermoedelijke lezerspubliek al dachten. Dat is misschien
comfortabel, maar het is niet de afrekening die de titel belooft.
René Oudeweg
More information about the D66
mailing list