[D66] Geen Kroon Zonder Kritiek
René Oudeweg
roudeweg at gmail.com
Thu Feb 5 17:09:26 CET 2026
Geen Kroon Zonder Kritiek
Het idee dat een koningshuis militaire aspiraties koestert, of zich
zelfs maar laat voorstaan op militaire nabijheid, schuurt fundamenteel
met de kern van wat een constitutionele monarchie zou moeten zijn. Het
koningshuis is geen politieke actor, geen ideologische voortrekker, geen
moreel kompas dat richting geeft aan staatsmacht. Het is een symbool,
een lege huls die betekenis ontleent aan neutraliteit, afstand en
terughoudendheid. Juist daarom is het zo problematisch wanneer leden van
dat huis zich tooien met uniformen, rangen of militaire titels, hoe
ceremonieel of “symbolisch” die ook worden genoemd. Symbolen zijn nooit
onschuldig. Ze werken, ze sturen, ze normaliseren. En in dit geval
normaliseren ze het idee dat geweld, hiërarchie en militaire macht een
vanzelfsprekend verlengstuk zijn van nationale identiteit.
Dat Máxima reservist is, wordt vaak weggewimpeld als iets onschuldigs,
iets persoonlijks, bijna een hobby. Alsof het hier gaat om een
lidmaatschap van een zangkoor of een liefdadigheidsbestuur. Maar het
reservistenbestaan is geen vrijblijvende bezigheid. Het is een
expliciete koppeling aan de krijgsmacht, aan een instituut dat bestaat
bij gratie van geweldsmonopolie en bereidheid tot oorlog. Oorlog is geen
natuurramp, geen tragisch noodlot dat ons overkomt; oorlog is politiek
met andere middelen, een bewuste keuze van staten en machthebbers om
conflicten niet met woorden maar met wapens te beslechten. Wie zich
publiekelijk verbindt aan dat apparaat, zeker vanuit een positie van
symbolische macht, maakt daarmee een politieke statement, hoe hard men
ook probeert dat te ontkennen.
Hetzelfde geldt voor de schijnbaar schattige framing van Amalia als
“korporaaltje”, alsof het hier gaat om een jeugdkamp of een stoer
scoutsinsigne. Die verkleinwoorden zijn veelzeggend: ze bagatelliseren
de realiteit van militaire structuren, van bevel en gehoorzaamheid, van
het trainen om te doden of gedood te worden. Ze maken van oorlog een
lifestyle, van militarisme een identiteit die je kunt aantrekken en weer
uittrekken. Maar voor de mensen die daadwerkelijk onder die structuren
leven, die gestuurd worden naar missies, die terugkomen met trauma’s of
helemaal niet terugkomen, is er niets kleins of speels aan. Dat een
toekomstige monarch zich in die sfeer begeeft, hoe tijdelijk ook, is
geen neutrale daad. Het is een normalisering van militarisme aan de top
van de symbolische orde.
De verdedigers van dit alles roepen steevast dat het koningshuis “boven
de partijen” staat en dat juist deelname aan Defensie de verbondenheid
met de samenleving toont. Maar boven de partijen staan betekent niet
boven de politiek staan in de zin van morele onschuld. Neutraliteit is
geen kwestie van alles een beetje doen; het is een actieve keuze om je
te onthouden van symbolen en praktijken die onvermijdelijk politiek
geladen zijn. De krijgsmacht is geen neutraal instituut. Ze wordt
ingezet op basis van politieke besluiten, dient geopolitieke belangen,
bewaakt economische structuren en machtsverhoudingen. Wie zich ermee
associeert, associeert zich met die keuzes, of men dat nu wil of niet.
Het koningshuis ontleent zijn bestaansrecht niet aan daadkracht of
leiderschap, maar aan representatie. Het vertegenwoordigt de staat in al
haar burgers, inclusief pacifisten, dienstweigeraars,
oorlogsslachtoffers, critici van NAVO-beleid, mensen die geweld
principieel afwijzen. Hoe kan een monarch dat doen wanneer hij of zij
zich tooit met de symbolen van één specifieke visie op veiligheid en
macht? Hoe kan men claimen iedereen te representeren terwijl men
zichtbaar kiest voor de esthetiek en ethos van het leger? Dat is geen
eenheid, dat is uitsluiting, vermomd als traditie.
Traditie is sowieso het favoriete schild van wie geen inhoudelijk
argument heeft. “Het hoort erbij”, “het is altijd zo geweest”, “het is
ceremonieel”. Maar tradities zijn geen natuurwetten; ze zijn menselijke
constructies die voortdurend herzien worden. Hetzelfde koningshuis dat
ooit goddelijk recht claimde, dat koloniale expansie legitimeerde en
profiteerde van slavernij, heeft die tradities ook moeten loslaten of
herinterpreteren. Dat proces is pijnlijk, traag en onvolledig, maar
noodzakelijk. Militaristische tradities horen in datzelfde rijtje thuis.
Ze zijn relicten van een tijd waarin oorlog een vanzelfsprekend
instrument was van staatsvorming en monarchale macht. Dat we die tijd
zogenaamd achter ons laten, maar de symbolen vrolijk behouden, is
intellectueel oneerlijk.
Er zit ook iets dieps ondemocratisch in de manier waarop dit alles wordt
gepresenteerd. Gewone burgers die zich kritisch uitlaten over militaire
missies, over wapenexporten of over defensiebudgetten, worden vaak
weggezet als naïef, onrealistisch of wereldvreemd. Tegelijkertijd mag
een niet-gekozen familie zich zonder noemenswaardig debat verbinden aan
het leger, en wordt dat gevierd als verbindend en moedig. Die asymmetrie
is wrang. Het suggereert dat militarisme acceptabel is zolang het van
bovenaf komt, verpakt in nationale symboliek en koninklijke glamour.
En laten we eerlijk zijn: er is niets neutraals aan glamour. Uniformen,
parades, rangen en titels zijn ontworpen om indruk te maken, om macht te
tonen, om ontzag af te dwingen. Wanneer het koningshuis zich daarin
hult, versterkt het die esthetiek. Het maakt van het leger niet alleen
een uitvoerend orgaan, maar een cultureel ideaal. Dat is gevaarlijk,
juist in een tijd waarin internationale spanningen oplopen, waarin
oorlogstaal steeds normaler wordt en waarin politieke leiders gretig
grijpen naar het frame van dreiging en vijandschap. In zo’n context zou
een monarchie juist moeten dempen, vertragen, afstand nemen. Niet
meedeinen op de golven van militaire opwinding.
Oorlog als politiek met andere middelen betekent ook dat elke
verheerlijking van het militaire een verheerlijking is van een specifiek
soort politiek: een politiek die falen van diplomatie accepteert, die
geweld legitimeert als oplossing, die levens reduceert tot strategische
variabelen. Het koningshuis kan niet doen alsof het daar los van staat.
Door zich militair te profileren, hoe subtiel ook, kiest het partij in
dat wereldbeeld. En dat staat haaks op de belofte van neutraliteit die
zo vaak wordt herhaald wanneer kritiek opduikt.
Het argument dat het slechts gaat om “kennis opdoen” of “begrip tonen”
voor Defensie houdt evenmin stand. Begrip tonen kan ook zonder rang of
uniform. Kennis opdoen vereist geen ceremonieel lidmaatschap van een
hiërarchisch geweldsapparaat. Er zijn talloze manieren om betrokkenheid
te tonen bij veiligheid, vrede en internationale samenwerking die niet
via het leger lopen. Door toch voor die weg te kiezen, laat het
koningshuis zien welke vormen van macht het vanzelfsprekend acht en
welke het negeert.
Wat vooral ontbreekt, is reflectie. Geen publiek gesprek over de vraag
wat het betekent dat een monarch of troonopvolger militair actief is.
Geen erkenning van de politieke lading. Alleen geruststellende woorden
en een verwachtingsvolle glimlach. Dat is onvoldoende. In een volwassen
democratie mag, nee móét, men kritisch kijken naar de symbolische rollen
van instituties. Zeker wanneer die instituties historisch verweven zijn
met geweld, kolonialisme en oorlog.
Een werkelijk neutraal koningshuis zou zich juist expliciet onthouden
van militaire affiliaties. Het zou zeggen: wij staan voor iedereen, dus
wij kiezen geen uniform. Wij erkennen de complexiteit en het leed van
oorlog, dus wij romantiseren haar niet. Wij begrijpen dat veiligheid
meer is dan bewapening, dus wij zoeken geen rangen, maar afstand. Dat
zou pas een krachtig symbool zijn. Niet van macht, maar van
terughoudendheid. Niet van nationale spierballen, maar van morele
bescheidenheid.
Zolang dat niet gebeurt, blijft elke verwijzing naar neutraliteit hol.
Dan is het koningshuis geen stille spiegel van de staat, maar een
actieve deelnemer aan de normalisering van militarisme. En dat is geen
onschuldige traditie, maar een politieke keuze, met gevolgen voor hoe
een samenleving denkt over oorlog, macht en geweld. Dat mag benoemd
worden, bekritiseerd worden en, uiteindelijk, verworpen worden. Want een
symbool dat niet neutraal is, is geen symbool van eenheid, maar van
eenzijdigheid. En daar heeft een democratische samenleving niets aan.
More information about the D66
mailing list